Schimmelziekte doet zeegras verdwijnen uit Grevelingen

De zeegrasbegroeiing die eens de trots van het zoutwatermeer de Grevelingen was, is bijna helemaal verdwenen. Dat blijkt uit onderzoek van het Delta Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek in Yerseke.

De waterplanten bedekken nu nog maar een gebied van 100 tot 200 hectare, vijf procent van de weelderige grasmat uit het eind van de jaren zeventig. Tienduizenden trekvogels, waaronder rotganzen, meerkoeten, knobbelzwanen en allerlei soorten eenden die van het zeegras en de zaden leven, vinden komende herfst geen voedsel meer in de Grevelingen.

Groot Zeegras (Zostera marina) is een wortelende waterplant, die zich na het afsluiten van de Grevelingen in 1971 sterk heeft uitgebreid. In het beschutte stilstaande water waar geen getijwerking meer was en op de open, onbegroeide onderwaterbodem kregen de planten alle kansen. Binnen zeven jaar hadden de planten het halve meer veroverd. Daarin ontwikkelde zich een karakteristieke levensgemeenschap met zakpijpen, Zeeuwse pissebedden, aasgarnalen en talloze kleine vissen zoals grondels en tiendoornige stekelbaarsjes. Zij maken hun nesten tussen het gras, dat volop door de watervogels gegeten wordt. Andere vogels - futen en middelste zaagbekken - eten de grondels.

Met het zeegras is deze karakteristieke levensgemeenschap ten dode opgeschreven. Oorzaak is vermoedelijk een parasitaire, microscopisch kleine slijmzwam, Labyrinthula, die te herkennen is aan het verschijnen van zwarte vlekjes en strepen op de bladeren. In 1987 werden deze vlekjes voor het eerst gesignaleerd. Vermoedelijk is dit organisme altijd in kleine aantallen in gezonde zeegraspopulaties aanwezig, pas na verstoring slaat de parasiet echt toe.

Aan de waterkwaliteit kan het niet liggen. Het water is schoon, helder en rijk aan zuurstof. Gunstig is bovendien dat de Grevelingen arm zijn aan voedingsstoffen, vooral stikstofverbindingen. De waterplanten groeien dan langzaam en vormen veel fenolzuren, die een beschermende werking hebben tegen ziektes. Als de Grevelingen voedselrijker waren geweest, zegt prof.dr. P.H. Nienhuis van de Rijksuniversiteit Nijmegen, dan was de teruggang in de flora nog veel dramatischer geweest. Hij acht het denkbaar dat het constant hoge zoutgehalte in het meer de planten vatbaarder maakt en de zaadkieming remt. Bovendien hebben de strenge winters van 1985, 1986 en 1987 wellicht de wortelmat verzwakt.

Ook uit Noord-Amerika en andere landen wordt melding gemaakt van dezelfde ziekteverschijnselen. De epidemie doet denken aan de jaren dertig, toen het zeegras vrijwel overal ter wereld, ook in de waddenzee, ineens hard achteruit ging. Zowel voor de visstand als voor de vogelstand aan beide zijden van de oceaan heeft dat ingrijpende gevolgen gehad.