Rode Baron moet zich schikken naar Westerse regels; Oostduitse wonderwetenschapper had voorheen alle vrijheden

Manfred von Ardenne had in de DDR een eigen laboratorium en wetenschappelijke uitgeverij. Sommigen beschouwen hem als een charlatan. Nu moet hij zich aanpassen aan de Westduitse voorschriften voor onderzoekfinanciering.

Als er geen Duitse hereniging was geweest dan zou de bekende 84-jarige Oostduitse kankeronderzoeker en veelzijdig geleerde Manfred von Ardenne waarschijnlijk tot zijn honderdste jaar zijn doorgegaan met zijn onorthodoxe theorie over de behandeling van kanker, niet gestoord door Westerse hindernissen als beoordeling door collega's en open concurrentie voor onderzoeksfondsen.

Maar zoals met zo veel andere zaken in de voormalige DDR heeft de hereniging alles veranderd. Nu moet Von Ardenne, een baron van geboorte die zijn theorieën al meer dan 25 jaar propageert met alle mogelijke - ook politieke - middelen die hij tot zijn beschikking heeft, het einde van zijn carrière als kankeronderzoeker onder ogen zien, tenzij hij spoedig met behulp van wetenschappelijke middelen kan aantonen dat zijn projecten het waard zijn ondersteund te worden.

Verhelderend

Het verhaal over Von Ardenne en zijn onderzoeksinstituut in Dresden geeft een verhelderend inzicht in de manier waarop Oost-Duitsland en andere Oostbloklanden hun wetenschappelijk onderzoek regelden - en hoe alles is veranderd.

Het kenmerkende is dat deze landen onderzoekers kozen die de juiste politieke standpunten innamen ongeacht of zij goede wetenschappers waren. Dit beleid, dat het meest rigide werd gevolgd in orthodox communistische landen als Oost-Duitsland, heeft bijgedragen tot de bekende achteruitgang van de op de technologie gebaseerde industrie in dat deel van Europa.

Maar in het geval van Von Ardenne gaf het systeem een briljante en iconoclastische geest de mogelijkheid om zijn ideeën te volgen waar die hem ook brachten, met tot nog toe onbestemde resultaten.

In Duitsland is Von Ardenne's naam synoniem voor "inventief genie'. Hij vestigde zijn reputatie van excentriek onderzoeker al vroeg toen hij in 1923 op zestienjarige leeftijd de school verliet zonder diploma en een maand later zijn eerste patent deponeerde. Vervolgens verliet hij de universiteit van Berlijn na vier semesters om zich te wijden aan de radio en de voorlopers van televisie, wat in 1931 tot een algemeen erkend succes leidde toen hij een ruwe vroege vorm van een televisietoestel bouwde en demonstreerde met de naam "vliegende-punt-scanner'.

Von Ardenne wordt algemeen gezien als degene die in 1937 de rasterelektronenmicroscoop heeft uitgevonden, hoewel de eerste schaalmodellen pas tientallen jaren later werden gebouwd, en toen niet door hem.

Atoombom

Ook in het begin van de carrière van Von Ardenne waren de wetenschappelijke successen onderwerp van discussie. Hoewel niemand eraan twijfelt dat hij op verschillende gebieden belangrijke bijdragen heeft geleverd, heeft Von Ardenne de naam gekregen dat hij de eer opeist voor uitvindingen die elders zijn gedaan.

Een voorbeeld is zijn rol bij de ontwikkeling van de atoombom voor de Sovjet-Unie na de Tweede Wereldoorlog. Von Ardenne beweert nog steeds dat zijn werk op het gebied van de uranium-isotopensplitsing heeft geholpen om het evenwicht van nucleaire afschrikking te bewaren, maar bijna-leeftijdgenoten, onder wie de 72-jarige Heinz Bethge uit Halle een van de meest prominente fysici van Oost-Duitsland, zeggen dat hij alleen maar "deed als of hij druk bezig was', terwijl anderen het werk deden.

Voor zijn werk op het gebied van de atoombom beloonden de Russen Von Ardenne met de Stalinprijs, die vergezeld ging van enkele honderden duizenden roebels. Von Ardenne gebruikte het geld en het prestige dat daarmee gepaard ging om zich op te werpen als een wetenschappelijke machtsfactor in de DDR. Hij kocht verscheidene elegante villa's van voor de Tweede Wereldoorlog in een chique wijk in Dresden en vestigde het enige particuliere researchinstituut in heel Oost-Duitsland.

Daar organiseerde hij zijn instituut rond twee gebieden waarop hij voor de oorlog succes had gehad, elektronenstraal-technologie en elektronenbuizen, die elk voor zich langzamerhand uitgroeiden tot een zelfstandig bedrijf.

Gesterkt door zijn succes op gebieden waarop hij geen theoretische achtergrond of ervaring had, begon Von Ardenne spoedig een nieuw avontuur dat zijn verterende hartstocht werd: kankerresearch. Op aandringen van de Nobelprijswinnaar van 1931, Otto Warburg, probeerde Von Ardenne Warburgs stofwisselingstheorieën toe te passen op het kankerprobleem. Hij ontwikkelde op grond daarvan de controversiële "meerfasen kankertherapie' en zette in 1964 een nieuwe afdeling van zijn instituut op om die te verbeteren.

De therapie bestaat uit drie onderdelen. Allereerst krijgt de patiënt een infuus met een glucose-oplossing waardoor de bloedsuikerspiegel zes keer hoger wordt dan normaal. Volgens Von Ardenne verzuurt deze hyperglycaemie het tumorweefsel en maakt het in het bijzonder gevoelig voor verwarming, een tot dusver niet bewezen hypothese. Dan laat Von Ardenne de patiënt een met zuurstof verrijkt luchtmengsel inademen teneinde het hart- en vaatstelsel te stabiliseren en het tumorweefsel nog zuurder te maken.

Tenslotte wordt de patiënt verwarmd met behulp van speciale infra-roodapparatuur totdat het lichaam een kerntemperatuur bereikt van 41.5 tot 42.5 graden Celsius (de normale lichaamstemperatuur is 37 graden Celsius) met als speciaal doel het uitroeien van kankercellen.

Sinds Von Ardenne begon met zijn kankerresearch in het begin van de jaren zestig is de plaatselijk toegepaste hyperthermie een erkende methode geworden voor het selectief uitroeien van tumorcellen, vooral als het wordt toegepast in combinatie met chemotherapie of bestraling.

Maar praktisch niemand in de Westerse medische wereld gelooft dat de toepassing van zuurstof enig effect heeft. En veel artsen zeggen dat een dergelijke grote toename van de lichaamstemperatuur gevaarlijk kan zijn of zelfs fataal. Von Ardenne beweert dat hij de veiligheid van de verwarming van het hele lichaam - hyperthermie - heeft gedemonstreerd en artsen uit Dresden steunen hem.

De belangrijkste kankeronderzoekers in Oost- en West-Duitsland hebben voornamelijk kritiek op Von Ardenne. De opvatting van Oliver Lange van de Robert Jankerkliniek, een particuliere kankerkliniek in Bonn, is kenmerkend. Lange zegt dat de theorieën van Von Ardenne meer in de sfeer van het "religieus geloof' dan de wetenschap liggen, hoewel hij benadrukt dat dit zijn persoonlijke mening is en niet die van de kliniek, (die geld heeft aangevraagd om ten minste een deel van Von Ardenne's theorieën op een wetenschappelijke verantwoorde manier te onderzoeken.)

Mensen die plaatselijke hyperthermie toepassen, zoals de oncoloog Rolf Issels van de universiteit van München zeggen dat de associatie van hyperthermie met de naam Von Ardenne het heel moeilijk heeft gemaakt om subsidie te krijgen om op dit gebied te werken.

Ook binnen zijn eigen instituut is Von Ardenne een omstreden figuur. ""Er was hier altijd een groot verloop'', zegt Wolf-Karsten Mayer, een fysicus van de staf die in 1986 bij het instituut kwam werken. ""Vooral de hooggekwalificeerde mensen gingen gewoonlijk al snel weg'', voegt hij eraan toe, niet in de laatste plaats omdat Von Ardenne stond op het publiceren van de onderzoeksresultaten voordat de experimenten waren afgerond of op een juiste manier gecontroleerd.

Von Ardenne die ondanks zijn grootvaderachtige uiterlijk zijn werk blijft verdedigen met dezelfde verbazingwekkende energie en koppigheid die hem zijn leven lang heeft gedreven, heeft een geijkt antwoord op de kritiek. ""Zij zijn niet goed genformeerd'', zegt hij. ""Of misschien zijn ze jaloers.'' Hij nodigt iedereen uit het instituut te komen bezoeken om het succes van de behandeling met eigen ogen te aanschouwen. ""Ik heb meer dan 400 publicaties op mijn naam staan'', zegt hij. ""Misschien heeft men niet voldoende tijd gehad om ze allemaal te lezen.''

Maar dat recordaantal publicaties valt te betwisten. Rolf Issels van de universiteit van München zegt bij voorbeeld dat ""negentig procent van Von Ardenne's publicaties bij zijn privé-uitgeverij is verschenen.'' Personeelsleden van het instituut geven toe dat een grote meerderheid van Von Ardenne's artikelen alleen verschenen is in Oostduitse kranten van twijfelachtige kwaliteit, waartoe Von Ardenne makkelijk toegang had.

Zolang Von Ardenne in Oost-Duitsland werkte, deed de kritiek hem weinig. Hij had altijd een "gouden telefoon' zegt Issels, waarmee hij toegang had tot de hoogste kringen van de regering. Deze speciale toegang en twee miljoen Oostduitse marken per jaar overheidssteun maakten het hem mogelijk naar eigen goeddunken zijn theorieën te volgen.

Maar de tijden zijn nu veranderd. De regering van het verenigd Duitsland, die onlangs genteresseerd is geraakt in alternatieve behandelingen van kanker, heeft duidelijk gemaakt dat Von Ardenne aan zeer strenge wetenschappelijke en ethische criteria zal moeten voldoen wil hij nog meer overheidssubsidie ontvangen.

Tot nu toe heeft het instituut in Dresden het betrekkelijk goed gedaan vergeleken met andere industriële onderzoeksinstellingen, sinds de ineenstorting van het communistische systeem. Het negatieve punt is dat Von Ardenne het aantal personeelsleden van 500 naar 220 heeft moeten terugbrengen, en de afdeling voor de elektronenbuizen heeft nog een koper of een sponsor nodig. Maar tegelijkertijd is de afdeling van het instituut van de elektronenstralen-technologie overgenomen door het Fraunhofer Gesellschaft voor de bevordering van toegepast onderzoek uit München, wat gezien wordt als een compliment voor het instituut.

Maar dit is duidelijk niet genoeg voor Von Ardenne. Hoewel een pas gevestigde kliniek voor meerfasige kankertherapie die is gelieerd met het instituut enige inkomsten zal opleveren, zegt Von Ardenne dat hij een aanzienlijk bedrag aan extra steun nodig heeft in de vorm van subsidies of donaties uit de particuliere sector om het kankeronderzoek voort te zetten. Als hij niet spoedig hulp krijgt zal volgens hem het kankeronderzoek op het instituut in ernstige moeilijkheden raken.

Met de hulp van andere Westerse onderzoekers en met zijn eigen team van klinische medici probeert Von Ardenne het wetenschappelijk bewijs te verkrijgen dat hij nodig heeft om in aanmerking te komen voor subsidie van de overheid. Wolfgang Scheef van de Jankerkliniek in Bonn heeft subsidie aangevraagd om althans een deel van de behandeling van von Ardenne te onderzoeken - een combinatie van plaatselijke hyperthermie en hyperglycaemie - onder streng gecontroleerde omstandigheden.

En een team fysici van Von Ardenne's instituut is druk bezig met een eigen poging om de effectiviteit van de behandeling vast te stellen. ""Maar deze keer'', zo verzekert Mayer, ""maken we ons onderzoek eerst helemaal af voordat we de resultaten publiceren omdat dat de enige manier is om internationaal te worden geaccepteerd.'' Er is nog geen onderzoek afgerond en er zijn nog geen resultaten gepubliceerd.

Onderzoekers in de beide Duitslanden en elders in de wereld volgen nauwkeurig de wederwaardigheden van de controversiële behandeling van kanker door de baron. Al verwachten de meesten dat de behandeling op z'n best een beperkt succes zal hebben als die tenslotte onder gecontroleerde omstandigheden wordt onderzocht, toch kunnen zij hun respect voor het talent van Von Ardenne om te gedijen onder verschillende systemen, niet verbergen. Het maakt haast niet uit wat er gebeurt, zeggen zij, de "Rode baron uit Dresden' eindigt altijd bovenaan.

En als de behandeling onverwachts de toets van de Westerse kritiek mocht doorstaan dan zal dat een uiteindelijke triomf zijn als bekroning van een lange wetenschappelijke carrière. In de ogen van Von Ardenne zou een dergelijk succes een gepaste en bevredigende slotfase zijn. Von Ardenne: ""De kroon op mijn levenswerk.''

Vertaling Loes Vonk