Oosteuropese produkten worden mondjesmaat toegelaten; EG helpt Oost-Europa aarzelend

BRUSSEL, 5 SEPT. “De regeringen van de Europese Gemeenschap zullen wilskracht en moed moeten tonen. Je kunt niet de ene dag vreugdetranen plengen voor de volkeren van Oost-Europa en ze de volgende dag zeggen dat je hun produkten niet zult kopen”, zo waarschuwde voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie onlangs. Toch is dat wat nu dreigt te gebeuren.

De omwentelingen van 1989 zijn ook in West-Europa met gejuich begroet, in menig regeringscentrum werd verkondigd dat de landen van wat ineens ook weer Midden-Europa heette, zouden terugkeren in de beschaafde vrije wereld. Maar toen vervolgens de vraag rees hoe het Westen bij die terugkeer kon helpen, werd het allengs stiller.

Over Westerse hulp om te overleven hebben de Oosteuropeanen sinds hun revoluties niet te klagen gehad. Olijfolie en zuidvruchten naar Polen, graan en medicijnen naar Albanië, de EG stuurt veel voor niets.

Politieke beloften worden ook gretig gedaan. Met voorop de Duitse minister Genscher, reppen verscheidene Westeuropese politici van Oosteuropese toetredingen tot de EG binnen tien jaar. Europees Commissaris Andriessen, die begin dit jaar een beperkt ("geaffilieerd') lidmaatschap voor de nieuwe democratieën voorstelde, sprak gisteren over een EG van 24 of zelfs meer landen, al leek hij daarmee eerder onheil te voorspellen dan blijde verwachting uit te drukken. Andriessen is in elk geval voldoende realistisch om te zien dat het kortzichtig is om in dit stadium vast te houden aan een besloten club van twaalf.

Maar met hulp om de jonge democratieën economisch op de been te helpen moest de Europese Commissie, het uitvoerend bestuur van de EG, veel omzichtiger omspringen. De onderhandelingen met Warschau, Boedapest en Praag over associatieverdragen liepen deze zomer vast op de geringe bereidheid van de EG-landen om Poolse, Hongaarse en Tsjechoslowaakse produkten op hun markt toe te laten.

De conservatieve staatsgreep in de Sovjet-Unie van vorige maand leek alles te veranderen. In hun eerste reactie op de coup lieten de twaalf ministers van buitenlandse zaken de wereld weten dat de EG de banden met de landen in Midden- en Oost-Europa versneld zou aanhalen. De Commissie, die de onderhandelingen over associatie voert, kreeg opdracht zo snel mogelijk te komen met de al gevraagde voorstellen voor verruiming van het eigen onderhandelingsmandaat. Als de communisten een nieuwe muur zouden oprichten, zo was de toon, dan niet in het midden maar aan de rand van Europa.

Maar de coup mislukte en binnen een week was er een Sovjet-Unie overgebleven die in plaats van een grotere- juist een geringere bedreiging vormde. Uit de Westeuropese hoofdsteden hebben de Oosteuropeanen sindsdien weinig meer vernomen. Gisteren bleek in Brussel dat verruiming van het onderhandelingsmandaat inhoudt dat de Commissie ook besprekingen over associatie met Bulgarije, Roemenië, Albanië en de Baltische landen zal openen en daarbij een “flexibeler houding” van de lidstaten vraagt. Concrete getallen over het tempo waarmee de Europese tariefmuren zouden worden afgebroken werden niet genoemd, en de getallen die in de wandelgangen circuleerden zijn allesbehalve wilskrachtig of moedig te noemen.

De invoertarieven voor Oosteuropese produkten mogen volgens de Commissie in drie jaar met ruim de helft omlaag, de hoeveelheid ingevoerde produkten mag met tien procent per jaar omhoog - weinig bemoedigend voor landen die enkele goed te exporteren overschotten hebben maar hun markt met de ineenstorting van de Sovjet-Unie alleen maar hebben zien krimpen. Morgen vergaderen de EG-ministers over het voorstel.

De grenzen van de buitenlandse politiek worden zichtbaar. Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië zijn tegen de invoer van Hongaars graan of Tsjechoslowaaks vlees: dat zou ten koste gaan van de eigen boeren. Italië en Portugal zijn tegen goedkope kleding uit Polen: dat zou de eigen textielindustrie maar belemmeren.

Zo kunnen de besprekingen van de EG met de landen in Midden- en Oost-Europa nog akelig gaan lijken op die eindeloos slepende gevechten met de Verenigde Staten en Japan in de GATT. Met dit verschil dat Amerikanen en Japanners geduldiger op een akkoord kunnen wachten dan Albanezen en Polen.