In de fik

Jeugd en Samenleving, 21e jaargang, nr 8. Maandblad. Prijs per nummer ƒ 8,50. Giro 2956320. Jeugd en Samenleving, Wilhelminalaan 17, 3818 HN Amersfoort. 033-651304

De opmerkelijkste zin in het augustusnummer van Jeugd en Samenleving staat in het openingsartikel: ""Aan de uitvoering van het preventieproject in de keet kwam ruim twee maanden na de start al een einde omdat twee vrouwen (moeders van jongeren uit de doelgroep) de keet in brand staken.''

Ze wisten niet dat hun kroost daar middels een wetenschappelijk verantwoord project van de criminaliteit afgehouden werd. Of de jongeren er zelf van op de hoogte waren gesteld dat ze deelnamen aan een preventieproject wordt uit de tekst niet duidelijk. Na de brand lagen de werkzaamheden acht maanden stil en die tijd kon mooi gebruikt worden om te concluderen dat het bijeenbrengen van "geselecteerde risicojongeren' in de keet juist "een vorm van onderlinge beïnvloeding versterkt die men wilde voorkomen'. De criminaliteit nam eerder toe dan af, zo stellen de onderzoekers achteraf vast. Geen wonder dat de moeders de zaak niet geheel vertrouwden, denk je dan als argeloze leek. Niettemin krijgen de preventiewerkers geld voor een tweede ronde en die blijkt dankzij "kleinschalige doelgerichte activiteiten' succesvoller. De politie registreert minder (kleine) criminaliteit en vandalisme in de betreffende wijk.

Hoe groot die daling is en om hoeveel jongeren het nu feitelijk gaat, daar moet de lezer naar gissen. Ook het theoretische deel van het artikel is doorspekt met veel vermoedens, vage formuleringen en weinig punctuele omschrijvingen. Hadden de onderzoekers maar wat meer geput uit hun interviews met wat ze hardnekkig "de doelgroep' noemen, en uit hun participerende observaties dan waren we tenminste nog iets over deze jongens en meisjes te weten gekomen.

Veel verrassender is het artikel "Werkscholieren op de arbeidsmarkt'. Het is gebaseerd op een onderzoek van Anke van Beckhoven onder ruim 1300 scholieren tussen de dertien en de achttien. Met nog eens 84 jongeren werd uitvoerig gepraat over hun werkervaringen. ""De meeste baantjes die jongeren hebben worden gekenmerkt door een lage beloning, parttime werkverbanden, onregelmatige werktijden, weekendwerk, seizoenarbeid en slechte perspectieven voor promotie en toekomstmogelijkheden. In zekere zin ""zijn deze "slechte' baantjes "goede' baantjes voor scholieren'', zo wordt vastgesteld. De onderzochte groep scholieren verdient gemiddeld ƒ 5,28 per uur.

Een scholier met een baantje kan op de sympathie van zijn omgeving rekenen. Zelf vinden de werkscholieren een baan belangrijk omdat daar - in tegenstelling tot thuis en school - een appèl op hun volwassenheid wordt gedaan. Het werk, dat meestal simpel en routinematig is, bevordert volgens het onderzoek de zelfstandigheid van de jongeren, vergroot hun zelfvertrouwen en draagt er toe bij dat velen er bewust voor kiezen om hun opleiding af te maken. Een school die het waagt om tijdens het schooljaar een ingrijpende roosterwijziging door te voeren kan rekenen op een stevig protest van de werkende leerlingen.

Het bezorgen van de ochtendkrant wordt door de ondervraagde scholieren als een eenzame, zware klus ervaren. Het werk in de land- en tuinbouw wordt daarentegen als plezierig en gezellig omschreven. De nieuwe Arbeidstijdenwet waaraan nu door de minister wordt gewerkt, moet het mogelijk gaan maken dat kinderen al vanaf zeven jaar incidentele arbeid (klusjes) mogen verrichten tussen 7 en 18 uur.

Verder in dit zomernummer een artikel over het multiculturele jongerentheater Artisjok, dat vorig jaar door het Hervormde en Gereformeerde jongerenwerk in Amsterdam Oost werd opgezet. Een veertigtal jongeren van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Antilliaanse, Ghanese, Roemeense en Nederlandse afkomst werkten maandenlang vol overgave aan het muziektheaterstuk "Basta!'. Een duur project met vijf professionele medewerkers dat alleen dankzij flinke sponsoring tot stand kon komen. De schrijvers van het artikel vragen zich af of een begroting van twee ton in verhouding staat tot ""... een staaltje Amsterdams jongerenwerk, buurtgericht en met de bedoeling om, wat oneerbiedig gezegd, veertig jongeren van de straat te houden en in het zadel te helpen''. Is dat duur? Hoeveel kost het preventieproject dat in het openingsartikel wordt beschreven?

Een beetje mosterd na de maaltijd is het verslag van de presentatie van de Pestmap - eind april - door de Haagse RIAGG's. In veel dagbladen stond de dag na de presentatie een aardig verhaal over zondebokken en pestkoppen. Geheel in de stijl van de RIAGG's ligt de nadruk op praten: in de klas, met de ouders, met de pestkoppen. Waarom ligt er zo'n taboe op het fysiek oplossen van conflicten, vraagt auteur Mieke de Waal zich af. Waarom mag een zondebok niet eens flink van zich afslaan?

Een van de sprekers doet haar na afloop van de bijeenkomst een confidentie. Hij werd als jongetje gepest met het overmatig drankgebruik van zijn vader. ""Op een dag heb ik me op één van de grootste jongens van de school gestort. Daarna heb ik nooit meer last gehad. Die wet van de jungle mag je niet verdedigen, maar hij werkt wel.'' Soms moet je gewoon een keet in de fik steken, dan wordt er weer eens even rekening met je gehouden.

De samenvatting van het Sociaal en Cultureel rapport 1990 dat elf pagina's in beslag neemt is tenminste acht pagina's te lang, want het gaat nauwelijks over de jeugd. Waar het even interessant dreigt te worden - de jeugdlonen in ons land behoren tot de laagsten van Europa - ontbreken harde gegevens en cijfers. En dat terwijl de schrijver niet nalaat om voortdurend te benadrukken dat de cijfers het rapport zo interessant maken.