"Het is beter om niet te dromen maar te doen, nu meteen'

De afgelopen weken hebben twaalf mensen hun eigen verhaal verteld over ouder worden en hoe dat een extra dimensie aan het leven geeft. Vandaag sluit Mischa de Vreede de serie af.

Een grijze massa, die al of (nog) niet uitgediende "oudere mensen'? Wie dat denkt valt niet te benijden want wie gezond blijft - en gezondheid is het beste dat men zich wensen kan - wordt oud en het is beter daar al vroeg rekening mee te houden. Gelukkig is er alle tijd om zich voor te bereiden: oud-worden kun je leren. Al was het alleen maar door te kijken en te luisteren en te denken: zo wil ik het ook. Of: zo moet het dus niet. In een inrichting zitten met veel glas en zo'n lekker goedkope bakstenen muur, met van die verstandige schoenen aan mijn stramme benen en dan maar koffieleuteren; dat wil ik dus niet. Maar een aanleunwoning op een parkachtig stukje grond met mijn boeken bij de hand, bomen voor mijn ramen en een deur die ik achter me dicht kan doen? Mwoah.

Een ieder heeft zijn eigen wensen en zijn eigen verhaal: dat spreekt. Maar in de verhalen van oudere mensen waren een paar gegevens die eigenlijk steeds weer opdoken. Bij voorbeeld het sneller gaan van de tijd. Je bent vijftig en je denkt: dit of dat komt nog wel. Straks of de volgende keer of zelfs later. Maar voor je het weet ben je zestig en vlak daarna zeventig en uitstel is meestal afstel geworden, gewoon vanwege een berekeningsfout. Ongelooflijk: alsof je hard hollend door je zelf als grijsaard wordt ingehaald. Je kunt je niet voorstellen dat je op een gegeven moment de fut zult missen om die droomreis naar Indonesië te maken, maar toch... Het is beter om niet te dromen maar te doen, nu meteen. Verlangens zijn er om vervuld te worden; niet om teloor te gaan.

Wat ook opviel was dat bijna alle mannen die op een geslaagde loopbaan kunnen terugzien van één ding echt spijt hebben: dat ze zich niet genoeg hebben beziggehouden met hun kinderen. En bijna allemaal schamen ze zich daarvoor; ze denken dat zij de enige zijn die zijn gezin zo verwaarloosd heeft. Gelukkig degeen die dan kleinkinderen heeft...

En dan die angsten. Nee, niet de meest voor de hand liggende angst. “Voor ouderen geldt dat ze niet zoveel angst hebben om dood te gaan. Ze raken vertrouwd met de eindigheid van het bestaan.” Dr. F. J. G. Oostvogel (1921) was een van de eersten in ons land die zich, oorspronkelijk vanuit zijn huisartsenpraktijk, als medicus bezig hield met bejaardenzorg. Hij promoveerde in 1968 op dit onderwerp en in 1984 kreeg hij aan de Erasmus Universiteit een bijzondere leerstoel in de medische gerontologie en geriatrie. “Een specialisme dat nog altijd met een argusoog wordt bekeken omdat een aantal mensen - internisten, neurologen - zeggen dat zij daar al aan doen.” Sinds enige jaren is hij gepensioneerd. “Maar ik ben er nog steeds mee bezig in de vorm van het houden van lezingen, het schrijven van artikelen en zo. Het laat je niet los, hoewel ik wel eens gezegd heb, met name nu ik onlangs 70 ben geworden: "Nu doe ik alle medische boeken dicht en zelfs grotendeels weg en ga mijn scope eens verleggen.' Naar de filosofie bijvoorbeeld of naar de kunstgeschiedenis, die me ook nogal interesseert.”

Hij zelf ervaart zijn oude dag als “een tijd waarin ontzettend veel te genieten is. Want één ding ben je kwijt en dat is het heilige moeten. De verplichting dan hier te zijn en dan daar, dan dit dan dat te doen. En in de dingen die je nog wel wilt kun je veel bereiken. Dat genieten is overigens voor een belangrijk deel afhankelijk van het feit of je je gezond voelt. Mensen die met een handicap zitten gaan natuurlijk heel andere normen stellen”.

En om op die angsten terug te komen: “Als iemand opeens last krijgt van pleinvrees of niet meer in een trein durft te zitten dan is dat, denk ik, al in hun hele leven aanwezig geweest. Het is een kenmerk van ouderdom dat een aantal zaken verscherpt naar voren komen. Mensen bijvoorbeeld, die wat zuinig zijn geweest worden gierig. Een stukje zelfkritiek valt weg en daardoor komen eigenschappen die al aanwezig zijn meer geprononceerd en soms zelfs op een onaangename wijze naar voren.”

In gedachten zie ik mezelf achter de deur van mijn aanleunwonig. Er klopt iemand aan... ik weet nu al dat mijn eerste neiging zal zijn om dan niet thuis te geven, niet open te doen. “En je bent kwetsbaarder, sneller uit je evenwicht, zowel geestelijk als lichamelijk. Je hebt minder reservecapaciteiten. En als je iets krijgt, als je bij wijze van spreken je heup zou breken dan wordt meteen ook ontdekt dat je nieren niet zo goed functioneren en dat je hart ook niet meer honderd procent is. Dan wordt het soms moeilijk om dat allemaal weer in het gareel te krijgen. Aan de andere kant is de medische wetenschap zo enorm gevorderd dat een heleboel toch op een zinnige manier te herstellen is. Ik zeg heel nadrukkelijk "op een zinnige manier'. Want het gaat volgens mij nog altijd om de kwaliteit van het leven en niet om de kwantiteit. En wie dat uitmaakt? Niet de dokter: dat moet de patiënt zelf uitmaken. Dus: daar wil ik ja dan nee aan geopereerd worden, ik wil ja dan nee die kuur met sterke medicijnen. Want wat is de zin van het leven? Dat bepaalt een ander niet; dat bepaal ik zelf. En, zoals gezegd, oudere mensen zijn zo vertrouwd geraakt met de eindigheid van het bestaan dat ze niet bang zijn om dood te gaan. Maar ze maken zich wel zorgen over de manier waarop. In hemelsnaam niet zwaar dement, zwaar afgetakeld en ontluisterd. Die dementie, daar kunnen we helaas nog niks aan doen maar pijn: dat hoeft vandaag de dag eigenlijk niet meer want daar kun je heel veel aan doen.”

In zijn lezingen gaat het over "de kunst van het ouder worden'. “Ja, want je denkt bij "ouder' onmiddellijk aan zorgen en problemen en narigheid en dat is een heel negatieve houding. Maar ik heb een positieve kijk; ik denk aan het leven verder ontwikkelen, voltooien, afmaken, afronden. En dan is er nog verschrikkelijk veel te genieten en te beleven. En het is natuurlijk ook zo dat veel meer mensen veel ouder worden. Die gemiddelde leeftijd blijft stijgen: voor vrouwen zit die in Nederland al boven de 80, voor mannen tegen de 74. En als je dan met je zestigste met de AOW gaat of de VUT dan heb je ook nog een belangrijk deel van je leven voor je. Door de verbeterde sociale en hygiënische en medische omstandigheden kun je daar ook langer van genieten. Maar je moet je er wel bijtijds op instellen. Zorgen dat je dagvulling hebt, je dagritme houdt. Dat is heel belangrijk, dat je de gang erin houdt. En of dat nou met kegelen is of met golfen of bridgen, ja voor mijn part bingo. Het gaat er maar om dat je op de een of andere manier zinnig bezig bent en dat je contacten houdt.” In gedachten ga ik de deur van dat aanleunwoninkje dan toch maar open doen.

“Wat mij opvalt is dat de mensen tegenwoordig zo heel lang geestelijk en lichamelijk goed blijven. Je ziet ze in toenemende mate, die vitale ouderen. Bij concerten, in schouwburgen, op reis. Mensen die net als ik echt genieten van hun oude dag. Belangrijk is, als je gezond wilt blijven, om veel te bewegen, geen stress en gezond eten. En dan dat roken en die alcohol. Er is door de een of andere directeur-generaal van Unicef eens uitgerekend dat ze in Amerika voor ik weet niet hoeveel miljoenen dollar het leven gemiddeld met een jaar zouden kunnen verlengen als ze weet-ik-wat-voor maatregelen namen. Maar dat ze het tien jaar zouden kunnen verlengen als de mensen alleen maar verstandig zouden gaan leven. Dus voldoende bewegen, gezond eten, niet roken en matig drinken. Gelukkig zeiden ze niet dat je niet mocht drinken.” Ik zie mezelf in mijn aanleunwoninkje naar een fles grijpen en naar de glazen.

“Je leeftijd is niet bepalend voor je individualiteit”, stelt professor Oostvogel. “Die wordt door heel andere dingen bepaald. Hoewel er hier heel anders mee wordt omgegaan. Hier worden mensen die zeventig, tachtig zijn, per definitie afgeschreven. En ervaring telt niet zoals die vroeger telde. Of nog steeds, in China en Japan: daar worden oude mensen op een troon gezet. En je moet ook niet, zoals ooit eens iemand zei, proberen om van een rijpe vrucht weer een jonge bloesem te worden. Dat lukt natuurlijk niet; je moet leven in het kader waarin je zit met de beperkingen die je natuurlijk toch wel hebt. Het gaat allemaal wat trager en moeilijker.” In gedachten zeg ik, in mijn aanleunwoninkje, dat ik mijn hele leven al moeite gehad heb met het open maken van flessen en ik vraag mijn bezoek of die het voor me wil doen.

“Heel wezenlijk is dat je voor een ander iets blijft betekenen. Dat je niet alleen op de wereld komt te staan.”

In mijn aanleunwoninkje zijn we gaan zitten met uitzicht op de bomen die bewegen in de wind. We drinken wat en vertellen elkaar de verhalen van vroeger die zich het liefst vertellen en aanhoren laten. Soms raken we elkaar aan, bijna toevallig. Ik ben blij dat er op mijn deur werd geklopt, blij dat ik heb open gedaan.

“Echt, het is een zalige tijd”, zegt de man die het weten kan.