Er staan opvallend veel Amsterdammers op postzegels

Willem Frederik Hermans merkte in het interview (30 augustus) dat Arjen Schreuder met de zeventigjarige had, op dat professoren die moeilijke dingen uitdenken, onbekend blijven en dat hij van alle Nobelprijswinnaars natuurkunde en chemie van de laatste dertig, veertig jaar er niet één weet te noemen.

Deze week vereeuwigde de PTT een aantal Nederlandse Nobelprijswinnaars op postzegel. Ook winnaars voor natuurkunde en voor scheikunde. Hermans' uitspraak blijf echter staan. De keuzeheren (of dames) van de PTT zijn naar het lijkt ondoordacht en eenzijdig bezig geweest.

De viering dit jaar van negentig jaar Nobelprijzen laat de PTT terecht niet ongemerkt voorbijgaan. Drie Nederlandse Nobelprijswinnaars zijn uitverkoren om op een postzegel afgebeeld te worden. De zestigcentszegel toont Jacobus van 't Hoff, die in 1901 de eerste Nobelprijs voor chemie kreeg. Op die van zeventig cent staat Pieter Zeeman. Hij werd in 1902 samen met Hendrik Lorentz gelauwerd met de prijs voor natuurkunde. De jurist Tobias Asser die in 1911 gedeeld met de Oostenrijker Alfred Fried, de Nobelprijs voor de vrede ontving komt op de zegel van tachtig cent. Menig postzegelverzamelaar in binnen- en buitenland zal hen met plezier in het album bijzetten.

Vooral zij die thema's sparen zullen het initiatief van de PTT hebben toegejuicht. Dit soort filatelisten is veelal niet geïnteresseerd in het verzamelen alleen maar zij proberen tevens "het hele verhaal er om heen' te achterhalen. Bij het navorsen van de carrières van de drie Nederlanders komen ze er al snel achter dat twee van hen op het moment van de toekenning van de Nobelprijs werkzaam waren op de Universiteit van Amsterdam. En dat de derde, Van 't Hoff, voordat hij in 1896 naar Berlijn vertrok, hoogleraar was aan diezelfde universiteit. Is dat toeval of een eenzijdige keuze? Sliep Tante Pos of heeft ze iets met Amsterdam? Waarom werd de Leidse hoogleraar Lorentz gepasseerd? Hij was met zijn studie over het optreden van verkorting bij bewegende lichamen en de daarmee gepaard gaande verandering in de waarneming van de tijd de voorloper van de relativiteitstheorie van niet minder dan Albert Einstein. Waarom niet Frederik Zernike van de Universiteit van Groningen? Hij kreeg in 1953 de Nobelprijs natuurkunde voor de ontwikkeling van de phase-contrastmicroscoop. Waarom niet Christiaan Eykman, Utrechts hoogleraar, die in 1929 de prijs voor geneeskunde kreeg voor zijn ontdekking van het vitamine-B, waardoor vanaf die tijd de ziekte berri-berri, beter bekend als 'scheurbuik' werd overwonnen. En tot slot: waarom komen Jan Tinbergen en Simon van de Meer niet voor op de nieuwe postzegels? De Groningse hoogleraar Tinbergen was in 1969 de eerste winnaar samen met de Noorse econoom Ragnar Frisch van de Nobelherdenkingsprijs voor economie? Simon van de Meer ontving in 1984 samen met de Italiaan Carlo Rubbia de Nobelprijs voor natuurkunde.

Zonder aan de kwaliteiten van de drie nu vereeuwigden afbreuk te willen doen kan gesteld worden dat zowel inhoudelijk als naar spreiding in de tijd en over de Nederlandse universiteiten er vraagtekens gezet kunnen worden bij de uitverkiezing van het huidige drietal. De PTT heeft zich er met een Jantje van Leiden van afgemaakt.