De stoel is het alter ego van de mens

Lumiance-lezing "After the design explosion'. 8 sept. Paradiso, Amsterdam. Aanv 11u en 14u. Inl 020-6264521 of 6237348. Lumiance, Haarlem, tel. 023-158280. Rolf Fehlbaum, Vitra: Vom Umgang met Design, Gegenwart und Ökonomie, samenst. Uta Brandes, uitg. Steidl, Göttingen.

De jaarlijkse "Lumiance Lecture', een lezing over de plaats van vormgeving in de samenleving, wordt op zondag 8 september gehouden door Rolf Fehlbaum, directeur van het Zwitserse meubelbedrijf Vitra. Door zijn samenwerking met ontwerpers en architecten heeft hij naam gemaakt als "design-ondernemer'. Tracy Metz ontmoette Fehlbaum in de Vitra-fabriek bij Basel. “Nog steeds stralen veel kantoren de opvatting uit dat werk onaangenaam is. Terwijl voor veel mensen het leven op kantoor aanzienlijk spannender is dan thuis.”

David Hockney draagt die eeuwige honkbalpet en heeft die vermaledijde teckel op schoot. Patricia Highsmith heeft haar weergaloos melancholieke blik op en Dennis Hopper ziet er ongeëvenaard kwaadaardig uit. En die vent met blote voeten, wie was dat ook al weer?

Terwijl ik in de kantine van de Vitra-fabriek vlak buiten Basel antichambreer, wandel ik langs de omvangrijke portrettengalerij die alle beschikbare muren in beslag neemt. Het zijn advertenties, deze grote zwart-wit foto's van coryfeeën gezeten op verschillende stoelen uit de bedrijfscollectie. Vitra, of liever gezegd directeur Rolf Fehlbaum (1941), houdt van hoogvliegen.

Sinds hij in 1977 het bedrijf van zijn vader overnam, en vooral sinds dat zich in 1984 los maakte van de Amerikaanse fabrikant Herman Miller, floreert Vitra. De omzet is sinds 1977 verviervoudigd; de omzet vorig jaar, 195 miljoen DM, was ruim een kwart hoger dan het jaar daarvoor. Rolf Fehlbaum heeft tonaangevende architecten en ontwerpers aan zijn bedrijf verbonden, en wordt overstelpt met ongevraagde aanbiedingen (“treurig, zo veel onzin als erbij zit”). Vorig jaar kreeg hij de Duitse "Gute Form'-prijs voor industriële vormgeving; dit weekend houdt hij in Amsterdam de Lumiance-lezing.

Met de opening twee jaar geleden van het Vitra Museum in het Duitse Weil am Rhein, net over de grens bij Basel, nam de naamsbekendheid een nog hogere vlucht. “Het idee was in eerste instantie een klein onderkomen te bouwen, een soort schuur, voor mijn eigen verzameling van - toen nog - ongeveer tweehonderd stoelen,” zegt Fehlbaum, prettig on-gedesigned gekleed in een eenvoudig zwart pak en wit overhemd. “Ik zou zelf de sleutel hebben en af en toe voor vrienden open doen. Nu staan er 1500 stoelen en is het een volwassen museum geworden!”

Museumconservator Alexander von Vegesack laat het inderdaad niet bij de vaste collectie, maar brengt ook tijdelijke tentoonstellingen zoals "Tsjechisch Cubisme 1910-1925', die hier zijn Europese toernee is begonnen. In een tent naast het museum geven bekende en minder bekende ontwerpers zomerworkshops; deze week sluit de jonge Engelsman Jasper Morrison de reeks.

Brandweerstation

Het museum met bijbehorende fabriek is het eerste dat architect Frank Gehry uit Californië in Europa heeft gebouwd. Ik sta nu voor de tweede keer in Basel en denk voor de tweede keer: zo'n opdracht, met zo'n opdrachtgever, moet de droom van iedere architect zijn. In de nabijgelegen Zwitserse plaats Birsfelden bouwt Gehry een nieuw hoofdkantoor voor Vitra. Op het terrein in Weil komen nog een klein congrescentrum van de uiterst sobere Japanner Tadao Ando, een fabrieksgebouw van de Portugees Alvaro Siza en een brandweerstation van de Iraakse Zaha Hadid, van wie nog nooit een gebouw is gerealiseerd.

“Toen tien jaar geleden een groot deel van fabriek afbrandde, heb ik de Engelse architect Nicholas Grimshaw in de arm genomen,” vertelt Fehlbaum. “Zijn high-tech signatuur leek me een goede uitdrukking van ons streven naar kwaliteit. Maar nadat ik bij de plaatsing van het beeld van Claes Oldenburg hier op het terrein Frank Gehry ontmoette, begon ik heel anders te denken over onze corporate identity. Ik realiseerde me dat een verzameling gebouwen, allemaal in dezelfde stijl, die overal konden staan, een soort gevangenis zou worden, heel vervelend op den duur. Hier moeten architecten bouwen die ieder een eigen sterke stempel hebben, maar ook op de anderen reageren. Belangrijker dan een "stijl' is dat deze plek een eigen leven en een eigen karakter krijgt.”

Dat kan de plek wel gebruiken, want het is nu voornamelijk een leegte bij de snelweg. Het is curieus - of misschien zeer van deze tijd? - dat juist hier een bloemlezing van de hedendaagse architectuur zal ontstaan.

Als fabrikant van voornamelijk kantoormeubilair denkt Fehlbaum - die economie en sociologie studeerde - na over de werkplek. Regelmatig brainstormt hij met ontwerpers over "het droomkantoor'. In het boek dat deze zomer over Fehlbaum verscheen ter gelegenheid van de "Gute Form'-prijs is een aantal "kantoordromen' opgenomen. Ron Arad heeft een bureau in de vorm van een komma op wielen getekend, een soort vleesetende plant, die zichzelf kan omwikkelen met "wanden' van maliën of zijde als de gebruiker met rust wil worden gelaten. “Het gaat erom, onszelf van alle vooropgezette ideeën over het kantoor te bevrijden,” legt Fehlbaum uit. “Dit is het meest verwaarloosde onderdeel van onze omgeving. Nog steeds stralen veel kantoren de opvatting uit dat werk onaangenaam is, een noodzakelijk kwaad. Terwijl voor veel mensen het leven op kantoor aanzienlijk spannender is dan thuis.”

Hoe anders het kan, heeft hij gezien in Silicone Valley, Californië, de thinktank van de computerbranche. “Daar lopen ze rond op blote voeten in afgeknipte spijkerbroeken en tussen de rotzooi staat een schildpaddenaquarium. Er is nauwelijks nog verschil tussen kantoor en thuis. Voor mij belichaamde vroeger het gebouw van Hertzberger voor Centraal Beheer - toen het originele idee nog niet was aangetast - ook zo'n revolutionaire opvatting over de werkplek.”

Het traditionele kantoor gaat veranderen, daarvan is Fehlbaum overtuigd. “Het aantal jonge mensen dat op de arbeidsmarkt komt in de jaren negentig neemt af. Als de werkgevers om ze knokken kunnen ze eisen stellen: een betere werkomgeving, andere werktijden. Vooral creatief werk vereist een persoonlijker omgeving.”

Charles Eames

Als eigenaar-directeur hoeft Fehlbaum alleen met zichzelf te overleggen over zijn keuze van architecten en ontwerpers. Toch raakte hij al vroeg vertrouwd met het samenwerken met ontwerpers. Toen zijn vader in de jaren vijftig met de Amerikaanse fabrikant Herman Miller een samenwerkingsverband aanging, leerde hij de ontwerpers Charles Eames en George Nelson kennen. Onder de noemer Classics produceert Vitra nog altijd replica's van hun werk. “Als zij op bezoek kwamen was ik deels tolk, deels chauffeur en deels entertainer. Mijn vader sprak nauwelijks Engels, en het was natuurlijk heerlijk iets te kunnen wat hij niet kon.”

Voor de jonge Rolf was Nelson een soort vaderfiguur, een denker, iemand van wie hij, zegt hij nu, in abstracte concepten leerde denken. Met Eames, meer de man van de constructie en de technologie, was de verhouding eerder die van een student met zijn beroemde professor. Zijn er onder de ontwerpers met wie Vitra nu samenwerkt, mensen van een vergelijkbare grootheid? Fehlbaum formuleert bedachtzaam: “Neem zo iemand als Sottsass... Zijn produkten hebben lang niet de kwaliteit van die van Eames, maar als inspirator van de materiële cultuur van onze tijd heeft hij een enorme invloed gehad. ”

Voor de Office-reeks werkt Fehlbaum samen met onder anderen Antonio Citterio en Mario Bellini; in 1987 werd Vitra Editions opgericht voor het onorthodoxe werk van ontwerpers als Alessandro Mendini, Borek Sipek, Ron Arad, Jasper Morrison, Philip Starck en Shiro Kuramata. “Deze stoelen zijn voor het bedrijf van weinig economische betekenis, maar des te belangrijker als aftasting van de grenzen van de vormgeving,” zegt Fehlbaum. “Ik beschouw ze als experimentele onderzoeksprojecten. Het woord "vormgeving' vind ik trouwens niet goed: het gaat niet om de vorm, maar om een weerspiegeling van onze materiële cultuur.” Stoelen zijn zo'n weerspiegeling: “De basiselementen zijn altijd dezelfde, maar de expressie is telkens anders. Met zijn rug, poten en armleuningen is de stoel het alter ego van de mens.”

Calvinistisch

Mijn vraag of de Editions te beschouwen zijn als het vlaggeschip van Vitra, ontlokt een gepassioneerd betoog over de toekomst van de vormgeving. “De designexplosie van de jaren tachtig was een noodzakelijke rebellie tegen de calvinistische, moralistische erfenis van het modernisme. Toen was een object goed als het maar met zo weinig mogelijk opsmuk voldeed aan een basisbehoefte en voor de massa bereikbaar was. In reactie daarop ontstond het postmodernisme, waarin alle stijlen door elkaar liepen: romantisch, archaïsch, high-tech. Steeds meer ontwerpers zijn dure unica gaan maken die alleen voor verzamelaars, galeries en musea waren weggelegd. Heel anders dan in de jaren zestig, toen de vooruitstrevende ontwerpen allemaal massaprodukten waren, is er in de jaren tachtig een polarisatie ontstaan tussen de industrie en de ontwerper die steeds meer kunstenaar werd. De winkel van Ron Arad in Londen bijvoorbeeld heette "One Off'. Philippe Starck, van wie nog relatief veel in grote oplagen is geproduceerd, vertelde me dat hij nog nooit een prototype van zijn eigen ontwerpen heeft gezien!

“Het is nu tijd voor iets anders. Wij - fabrikanten én ontwerpers - kunnen niet doorgaan met het zoveelste nieuwe vormpje bedenken en produceren. Ik wil ontwerpers van die doodlopende straat van het kunstobject wegleiden en ze aansporen zich met de industriële cultuur in te laten. Met Borek Sipek bijvoorbeeld werken we nu aan de ontwikkeling van een stapelbare stoel. Ik zeg wel "ik', maar de ontwerpers willen zelf ook af van die overdaad aan vrijheid. Als alles mogelijk is, ga je origineel doen om wille van de originaliteit.

“De industrie kan zich door deze mensen geweldig laten inspireren. Tenminste, als je ze niet als "exoten' gebruikt, zoals Philips doet door ze op een beurs stands te laten inrichten. Ik wil ze integreren in het alledaagse.”

Een enkele keer lukt het niet een ontwerp in het industriële keurslijf te persen. Van de tot voor kort onbekende Duitse ontwerpersgroep Ginbande wilde Vitra de uitschuifbare tafel Tabula Rasa in produktie nemen. “Het klinkt een beetje vaag, maar ik heb me erbij moeten neerleggen dat sommige objecten gewoon een eigen leven leiden, volstrekt autonoom zijn. Zodra je er een technisch hoogwaardig produkt van maakte, verdween juist de nonchalance die het ontwerp zo aantrekkelijk maakte. We zijn er twee jaar mee bezig geweest, maar ik heb het moeten opgeven.”

Als je Rolf Fehlbaum hoort praten over design en vooral de betekenis ervan, wekt het geen verbazing, dat hij hevig geïnteresseerd is in "populaire' cultuur. Behalve stoelen verzamelt hij Disney-figuren, met name Mickey Mouse, en andere stripfiguren als Popeye. Hij heeft ook een omvangrijke collectie robots en op de ruimtevaart geïnspireerd speelgoed. “Nu ben ik begonnen met het verzamelen van motion displays. Dat zijn bewegende taferelen die winkeliers, met name juweliers, in de etalage konden zetten om de aandacht van voorbijgangers te trekken. Ze werden tussen de jaren dertig en eind jaren vijftig door één bedrijf in Los Angeles gemaakt en zijn zeer schaars. Er bestond een soort abonnementssysteem, elke maand kreeg de winkelier een ander tafereel. Als uitdrukking van de cultuur van een tijdperk vind ik een Mickey Mouse of zo'n motion display even veelzeggend als een kunstwerk.”