Crisis hogescholen centraal bij opening studiejaar

ROTTERDAM, 5 SEPT. Binnen de hogescholen blijven grote spanningen bestaan tussen de centrale leiding en de faculteitsbesturen. De waarschuwing van oud-directeur-generaal voor het hoger onderwijs In 't Veld dat de hogescholen veel energie dreigen te verliezen aan interne twisten, geldt nog steeds.

Dat zei J.M.F. Box, voorzitter van het college van bestuur van de Hogeschool West-Brabant in Breda, gisteren bij de opening van het studiejaar 1991-1992. “De verlammende machtsstrijd tussen "centraal' en "decentraal' kent al de nodige slachtoffers”, aldus Box. In onder meer Amsterdam, Enschede, Groningen, 's Hertogenbosch en Maastricht verkeren hogescholen in een bestuurlijke crisis.

Aan de hogescholen wordt op verschillende manieren geprobeerd deze "natuurlijke' spanning op te lossen. In Den Haag biedt "contractmanagement' volgens voorzitter A. Peters van het college van bestuur van de Haagse Hogeschool een oplossing. Contractmanagement is een bestuurwijze waarbij wordt vastgelegd welke prestaties van centraal bestuur en faculteiten worden verwacht. De faculteiten worden vervolgens gefinancierd op basis van de geleverde prestaties.

In Utrecht pleitte dr. W.C. Weeda (Hogeschool Midden-Nederland) voor een grotere vrijheid voor hogescholen een eigen personeelsbeleid te voeren. Het onderwijs kan aan kwaliteit winnen als het mogelijk wordt docenten een behoorlijk carrière-perspectief te bieden. Hij stelde voor de functie van docent zodanig te differentiëren dat zowel in lagere schalen als hogere salarisniveaus kan worden ingeschaald. Weeda suggereerde daarbij aan de hogescholen de "lector' in te voeren, een functie en titel die voor de beste docenten zouden moeten worden gereserveerd.

In Leeuwarden zei NOM-directeur A. van der Hek, als gastspreker aanwezig bij de opening van het studiejaar, dat de minister van onderwijs zich diende te beperken tot financiering en overigens slechts algemene richtlijnen zou mogen geven. Het toezicht op de gang van zaken zou moeten berusten bij een aan ondernemingsland ontleende raad van commissarissen.

Collegevoorzitter Peters (Den Haag) vindt dat de hogescholen op korte termijn zelf maar eens op papier moeten zetten hoe volgens hen het stelsel van hoger onderwijs er in de toekomst uit moet zien. Hij voorziet dat over tien jaar het huidige onderscheid tussen universiteiten en hogescholen, net als dan in Engeland, zal zijn verdwenen.

Zijn collega Box van de Hogeschool in Breda vindt bezinning op de toekomst ook nodig. In de tussentijd moeten de hogescholen “geen universiteitje willen spelen”, maar blijven beseffen wat hun eigen missie en hun eigen strategisch beleid is, zo waarschuwde hij.

Het is zowel voor het onderwijs als voor het bedrijfsleven profijtelijk als de hogescholen meer aandacht gaan besteden aan dienstverlening voor derden, zo betoogde in Enschede het collegelid U. de Boer. “Wij hebben wat te bieden waar bedrijven en instellingen behoefte aan hebben en wij kunnen met de opgedane ervaring ons voordeel doen in de opleiding.” De Hogeschool Enschede wil binnen enkele jaren ten minste vijf procent van haar budget op deze manier verwerven, aldus De Boer. Hij wil bovendien intensief met het regionale bedrijfsleven gaan samenwerken en daartoe ook overeenkomsten sluiten. De Boer zei te verwachten dat hij op die manier het beroepenveld medeverantwoordelijk kan maken voor het in stand houden van hoogwaardige beroepsopleidingen.

Met de jaren '90 en Europa in het verschiet is het dringend nodig zich te bezinnen op de culturele grondslagen van het Nederlandse onderwijs, merkte de cultuursocioloog prof. dr. A.C. Zijderveld in Rotterdam op. In het voortgezet onderwijs moet primair “gedegen onderricht in geschiedenis en in talen, inclusief de klassieke talen, worden gegeven”. Hij noemde het “barbaars” om het “hoger onderwijs omderwille van een verkeerd gepercipieerde internationalisering voortaan maar in het Engels te doen plaatsvinden”.