Chef-dirigent Jeffrey Tate stelt zich voor aan Rotterdams publiek; "Ik wil niet de grote maestro uithangen'

ROTTERDAM, 5 SEPT. Jeffrey Tate, die vanavond in de Grote Zaal van de Rotterdamse Doelen zijn eerste concert leidt als chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, stelde zich gisteravond daar op datzelfde podium al voor aan het Rotterdamse publiek. Tate zat daar - ongetwijfeld voor het eerst en het laatst - op zijn werkplek in een gemakkelijke stoel en werd geïnterviewd door artistiek directeur Kees Hillen.

Op een projectiedoek voor het orgel waren stukken te zien uit een Engels tv-programma over de merkwaardige carrière van Tate - een mislukte medicijnenstudent die wegens zijn muzikale begaafdheid repetitor werd bij het Londense operahuis Covent Garden en leerde dirigeren door het de groten te zien doen: Solti, Krips en Kempe. En er werden delen gedraaid uit de eerste cd's die Tate voor EMI met het Rotterdamse orkest maakte: de Negende symfonie van Bruckner en de complete muziek voor A midsummernight's dream van Mendelssohn.

De Grote Zaal was goeddeels gevuld met Rotterdammers die deze unieke gebeurtenis graag wilden meemaken. “De enige keren dat een dirigent zich immers rechtstreeks sprekend tot het publiek richt is om te vragen minder te hoesten en bij zijn afscheid”, zei Hillen. En voor Tate leek deze nogal informele ontmoeting met het publiek geheel in het verlengde te liggen van zijn collegiale houding bij het werken met het orkest. “Ik houd er niet van de grote maestro uit te hangen die zijn wil oplegt, ik wil samenwerken met het orkest, samen musiceren.”

Die sympathieke houding, die voortkomt uit het verleden van Tate, die “een heel goede muzikale amateur” was, betekent echter niet dat de dirigent de orkestleden allemaal als vrienden wil beschouwen. “Ik ga na een concert niet mee naar de kroeg, er moet afstand blijven in deze functie, die met zich meebrengt dat je gezag moet hebben en soms onaangename beslissingen moet nemen.”

Over de afgelopen jaren, waarin de twee jaar geleden benoemde opvolger van James Conlon al diverse malen voor het orkest stond, is Tate heel positief. “Het orkest is buitengewoon ambitieus en enthousiast en deze zaal met zijn heldere, zilverige en niet dikke akoestiek is voor mij perfect.”

De kwaliteit van het Rotterdamse orkest én van de Doelenzaal waren voor Tate ook beslissend, toen hij tegelijkertijd aanbiedingen had om in Rotterdam en in Parijs te komen werken. “Er zijn hier wel geen drie-sterrenrestaurants, maar dat je hier kunt repeteren in dezelfde zaal waar je het concert geeft en dat dit orkest gewoon beter is, geef je niet weg voor een avondje in Maxim's.”

Het Rotterdamse publiek was merkbaar tevreden over deze opmerking, zeker toen bij de opsomming van Tate's hobby's (beeldende kunst, museumbezoek, Meissen-porselein verzamelen, lezen, reizen en naar bergen kijken) bleek dat hij een echte lekkerbek is en “een heel goede kok”, verzot op de Franse keuken en op oude Bourgognewijnen. “Wie nog een 1961 heeft mag bij mij langs komen.”

Verder werd nog gesproken over de onderlinge relaties tussen dirigenten. “Veel dirigenten zijn vooral enthousiast over dode collega's.” Niettemin was er een stukje video te zien waarop Sir Georg Solti lovende woorden sprak over Jeffrey Tate. En Tate verklaarde zich te zullen inspannen om de allerbeste gastdirigenten naar Rotterdam te halen en de artistieke concurrentie niet te schuwen.

Wat de muziek betreft, Tate houdt van bijna alles behalve van Tsjaikowski, Mahler, minimal en de avant-garde van de laatste decennia. Hij studeert nog op het Nederlandse repertoire: Willem Pijper, Rudolf Escher, Tristan Keuris, maar de naam van Boudewijn Tarenskeen (“wild music”) kwam hem nog niet over de lippen. Maar daarmee had Kees Hillen, ex-promotiedirecteur van de Nederlandse muziekuitgeverij Donemus, geen moeite.

Tot slot liet Tate zich nog aan de piano horen als kamermusicus: samen met violist Christian Tetzlaff - de solist van vanavond - speelde hij Schuberts Sonatine in G klein. Na wat wederzijds aftasten viel daarvan veel te genieten.