Autobeteugeling vereist bouwen op Westlands glas

De burgemeesters van Wateringen en Vleuten-De Meern voelen er niets voor dat in hun gemeenten de glastuinbouw moet wijken voor woningbouw, waarvoor het kabinet in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening-Extra van minister Alders zijn voorkeur heeft uitgesproken. De kern van het betoog van burgemeester Westra en burgemeester Van den Bos in hun artikel in NRC Handelsblad van 29 augustus is drieledig. Er zijn volgens hen in plaats van Wateringen en Vleuten-De Meern goede alternatieve woningbouwlocaties beschikbaar (namelijk Zoetermeer-Oost, respectievelijk Rijnenburg). De verplaatsing van glastuinbouw is slecht voor de positie van de (regionale) glastuinbouwsector en dit leidt ten slotte tot onverantwoord kapitaalverlies.

Zijn er werkelijk betere woningbouwlocaties voorhanden? Als we alleen af gaan op de prijs van landbouwgronden is dat zeker het geval. De prijs van akkerbouwgrond (Zoetermeer-Oost) of weidegrond (Rijnenburg) is ongeveer tien keer lager dan van grond met kassen er op. "Bouwen op glas' is dus per definitie duur.

Maar zijn de andere locaties goedkoper? Daarvoor moeten we niet alleen naar de aankoopprijs van grond kijken, maar naar dat wat we met de Vierde Nota Extra willen bereiken. Deze nota richt zich immers op duurzame ontwikkeling, die alleen te bereiken is als we afgewogen keuzen maken in de ruimtelijke ordening, zoals bouwen in en aan de steden. Met behulp van de ruimtelijke ordening kan onnodige "automobiliteit' worden voorkomen. Niet alleen de prijs is dus aan de orde, maar ook de ligging van locaties ten opzichte van voorzieningen, werkgebieden en openbaar vervoer. Reken je deze belangrijke aspecten mee, dan komen alternatieve locaties er duidelijk minder gunstig af.

De grotere locatie Zoetermeer-Oost ligt immers veel verder van het centrum van het Stadsgewest dan Wateringen. Voor aansluiting op het openbaar vervoer zal een extra "lus' aan de Sprinterlijn Den Haag-Zoetermeer nodig zijn waarvan dan door de grotere afstand minder gebruik zal worden gemaakt. Bij deze locatie zullen meer mensen de auto pakken dan bij de locatie-Wateringen die een aansluiting heeft op de sneltram Delft-Den Haag-Scheveningen. Door de deels dubbele benutting wordt tegelijkertijd ook de exploitatie van deze lijn gunstiger.

Duurzame ontwikkeling komt ook in het geding bij een verkleining van de bouwlocatie Vleuten-De Meern. De bestaande railverbinding Gouda-Utrecht wordt dan onvolledig benut evenals de nog aan te leggen sneltram uit Utrecht-centrum naar het NS-station Vleuten. Bovendien zal een extra tak aan de Nieuwegein-lijn moeten worden aangelegd om een locatie Rijnenburg te ontsluiten. Doordat dergelijke voorzieningen circa vijfentwintig miljoen per kilometer kosten, exclusief dure kunstwerken voor de kruising van snelwegen, gaan de "verdiensten' van een lagere aankoopprijs van de grond voor een belangrijk deel weer verloren.

Andere nadelen van alternatieve locaties, die moeilijker in geld zijn uit te drukken, zijn de relatief grotere aantasting van de groene ruimte. Zoetermeer-Oost is geen bijzonder waardevol landschap. Wel is het de vraag in hoeverre het Haagse Stadsgewest nog in de richting Gouda van kan doorgroeien zonder dat dit tot een aaneenklontering van stedelijke gebieden leidt. Het gebied staat nu reeds onder druk van infrastructuur en glastuinbouw.

Waar ligt de grens van het Groene Hart? Het gaat daarbij niet om een dogmatisch vasthouden aan een lijn op de kaart, maar om het vastleggen van een doelstelling voor het ruimtelijk beleid. Een doelstelling, die aangeeft dat verstedelijking wordt beperkt en ontwikkeling van groene gebieden wordt gestimuleerd. Zo wordt nu ten oosten van Zoetermeer gewerkt aan de ontwikkeling van een regionaal boscomplex. Als dat uit het oogpunt van verstedelijking echt noodzakelijk is, is de regering bereid de grens van het Groene Hart enigszins op te schuiven. Dat is gebleken bij de bouwlocatie Vleuten-De Meern, waarvoor immers ruimte is "gemaakt', om daarnaast nog een aantasting van het Groene Hart te accepteren in het nog ongerepte weidelandschap van Rijnenburg, daartoe heeft het kabinet op dit moment nog niet besloten. Wellicht zal het ook na 2005 niet zo ver komen en zal de locatie Vleuten-De Meern, dan wel Houten voor de langere termijn uitkomst kunnen bieden. Het gebied van de Hollandsche IJssel blijft dan behouden als een groen uitloopgebied voor het Utrechtse stadsgewest.

Het tweede argument van Westra en Van den Bos is de bedreiging die van de gekozen bouwlocaties uitgaat voor de glastuinbouwsector. In Wateringen gaat echter circa honderdvijfendertig hectare glas verloren op een totale omvang van het centrumgebied Westland-B-driehoek van ongeveer vijfenveertighonderd hectare. Dat is drie procent. In de Vierde Nota Extra is binnen dit centrumgebied bovendien rekening gehouden met een uitbreiding van het glasareaal met circa duizend hectare en wordt voorts uitgegaan van een verwachte stijging van de produktiviteit per hectare met vijftig procent. Dus kan de stelling dat verplaatsing van glas bij Wateringen de centrumpositie van het Westland bedreigt, niet worden gehandhaafd. Bovendien zijn er vooralsnog voldoende mogelijkheden voor hervestiging van tuinders binnen het centrumgebied. Dit neemt niet weg dat er op den duur een grens moet komen aan de groei van het glasareaal in dit deel van Zuid-Holland. De totale claim op de ruimte door verstedelijking, infrastructuur en groenvoorzieningen is daarvoor te groot. In de VINEX is daarom op langere termijn (na het jaar 2000) de ontwikkeling van een nieuw centrumgebied in de Hoekse Waard voorzien. Ook worden elders in het land ruimtelijke mogelijkheden gecreëerd voor uitgroei van regionale centra (Venlo, Emmen).

Voor het tuinbouwgebied bij Vleuten ligt de situatie anders. Daar is nog slechts sprake van een beperkte ontwikkeling van glastuinbouw (circa tweehonderd hectare) In alle verstedelijkingsmodellen, waarin een bouwlocatie Vleuten-De Meern wordt betrokken, zal dit gebied sterk worden beperkt in de groeimogelijkheden. In het model dat de gemeente zelf voorstaat (vijftienduizend woningen) wordt de glastuinbouw geheel ingesloten door verstedelijking. Noch voor de stedelijke functies, noch voor de glastuinbouwsector zelf biedt dit een goed toekomstperspectief. Wanneer op langere termijn tot verplaatsing zou moeten worden overgegaan zouden de kosten en maatschappelijke effecten vele malen ingrijpender zijn dan in de huidige situatie. Daarbij komt dat er goede ruimtelijke mogelijkheden zijn voor hervestiging van glastuinbouwbedrijven, zowel nabij de Randstad als in centra op grotere afstand.

Het derde argument: de onevenredig hoge kosten van de verplaatsing van glastuinbouw, verliest aan kracht door de maatschappelijke kosten van alternatieve locaties. Over de kosten van verplaatsing zelf lopen de schattingen uiteen. In de door het rijk gehanteerde kostenberekening (voor Vleuten-De Meern ongeveer tweehonderd miljoen gulden) wordt uitgegaan van een gefaseerde verplaatsing, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijvingstermijn van ongeveer vijftien jaar van kassen en met de noodzakelijke periodieke investeringen in de bedrijfsontwikkeling. Verplaatsing van bedrijven zou zoveel mogelijk moeten samenvallen met dergelijke investeringen.

Hoe we de kosten van de locatiekeuze ook berekenen, bouwen in Wateringen en Vleuten-De Meern blijft, net als in Amsterdam Nieuw-Oost en op Ypenburg een dure beleidskeuze. Maar tegelijkertijd staat vast dat in de Randstad geen bouwlocaties meer te vinden zijn die goed en ook nog goedkoop zijn. Willen we rekening houden met een duurzame stedelijke structuur, een vlot en betaalbaar openbaar vervoer en met een aantrekkelijk landschap, dan zijn kostbare oplossingen onvermijdelijk. De meerwaarde van een hoge ruimtelijke kwaliteit in de Randstad weegt dan ook ruimschoots op tegen de kosten, zowel in geld als in welzijn.