Schotten laten zich hun regimenten niet afpakken

EDINBURGH, 4 SEPT. “Hij liegt dat hij scheel ziet.” Het bekakte, uit geslepen glas opgetrokken accent waarmee de officier die uitspraak doet, maakt haar des te schokkender. Want hier spreekt de aan de landsregering trouw en loyaliteit verschuldigde legerofficier over zijn hoogste baas, de minister.

Tom King, de Britse minister van defensie, wordt hier in de officiersmess over de rand van een Bloody Mary uitgemaakt voor leugenaar, omdat hij die morgen nét heeft gezegd dat er geen enkele reden is de voorgestelde besnoeiingen in het Britse leger ongedaan te maken in het licht van de politieke instabiliteit in de Sovjet-Unie. Met een onverwachte gebeurtenis als de staatsgreep in Moskou had de NAVO in haar opperste wijsheid bij de reductie van troepen al rekening gehouden, aldus King. Het cynisme in de mess is algemeen: van zo'n gelegenheidsargument heeft men nog nooit gehoord.

In de voorstellen van de minister tot inkrimping van de Britse strijdkrachten moet de landmacht het leeuwedeel opbrengen. Een sterkte van 155.000 man moet binnen enkele jaren worden gereduceerd tot 116.000 man. Van de bestaande 55 infanteriebataljons moeten er 38 overblijven. Hoewel King onder grote pressie stond van de Treasury, het Britse ministerie van financiën, om radicaal te snijden, heeft hij het mes wel met enige omzichtigheid gehanteerd. Aan het geheiligde regimentensysteem heeft de minister maar gedeeltelijk durven tornen: een klein aantal wordt opgeheven, een aantal wordt gefuseerd en de rest blijft bestaan.

Op dit aan tradities gehechte eiland wordt die ingreep al erg genoeg gevonden. Naar verluidt hoorde Hare Majesteit Koningin Elizabeth II zélf de plannen van de minister in ijzig stilzwijgen aan - een onverhuld teken van koninklijke afkeuring, waarvan vele kranten gretig melding maakten.

King deed zijn voorstellen, politiek handig, net vóór het parlement op zijn maandenlange zomerreces ging. De discussie over de verdiensten van de plannen verzandde in de loomheid van de zomerkrant en de afwezigheid van Lagerhuisleden. Behalve in Schotland, die al te vaak genegeerde Unie-partner ten noorden van de muur van Hadrianus. Daar hebben - vakantie of niet - alle regimenten zich achter een campagne geschaard die moet voorkomen dat het Lagerhuis op 15 oktober akkoord gaat met Kings voorstellen.

De Schotten zijn door het dolle heen. Een mars door Whitehall, een petitie met twee miljoen handtekeningen, demonstrerende officieren in de marges van de Conservatieve-partijconferentie in oktober - niets is te gek. Een luitenant-generaal-buiten-dienst, Sir John MacMillan, heeft de leiding genomen van een actie ten behoeve van alle negen Schotse bataljons in het Britse leger. Hij vindt het “jolly nice” dat de buitenlandse pers helemaal naar het hoofdkwartier van de campagne in Edinburgh is gekomen om zich op de hoogte te stellen van de protesten. “Very decent of you.”

Pag.8:

Regimenten moeten blijven

Het tijdelijk hoofdkwartier van de campagne “Keep Our Scottish Batallions” is gevestigd in een bejaardenhuis voor Schotse legerveteranen, helemaal onder aan de zogenaamde Royal Mile die naar het middeleeuwse kasteel van Edinburgh leidt. Er ligt zeil op de vloer en het ruikt er naar lysol en eten. In de zit-slaapkamers van de veteranen staan, midden in de vertrekken, de bedden model opgemaakt.

Voor de deur van het pand zitten oude mannen, stram, maar recht van lijf en leden, in de zon met The Sun. Eén van hen is Harry Dunkin, een tanige grijsaard wiens tatoeages vroeger strak op de spierballen moeten hebben gelegen. Deze bejaarde Popeye loopt zich op zijn 84ste de benen uit het lijf voor het behoud van de Royal Scots. Hij houdt een passerende kolonel aan: buttons moet hij hebben, om te ruilen voor handtekeningen onder solidariteitsbetuigingen. De kolonel belooft buttons. Hij heeft ook nog t-shirts, auto-stickers, pluche kleef-beestjes (“Ik ben een Royal-Scotbeestje, behoed mij voor uitsterven”) en kartonnen waaiertjes. Zelf is deze officier nogal trots dat hij deze week de voorste rijen van het publiek bij een galaconcert ter gelegenheid van het Edinburgh Festival alle een waaier in de hand heeft weten te drukken. Zo wuifden tientallen prominenten zich, voor iedereen zichtbaar, koelte toe met het blauw-witte ding, waarop het dubbelzinnige motto: “I am a fan of the Royal Scots”.

Als de plannen van de minister doorgaan, fuseren de Royal Scots met The King's Own Scottish Borderers, de Queen's Own Highlanders met de Gordon Highlanders en verliezen de Scots Guards één van hun twee bataljons. Dat betekent dat van alle Schotse regimenten alleen de Royal Highland Fusiliers, The Black Watch en The Argyll and Sutherland Highlanders onberoerd blijven. Volstrekt ten onrechte, zeggen de campagnevoerders. Nog afgezien van het feit dat Schotland op deze manier een derde van zijn infanterie verliest - en Noord-Engeland nota bene op geen enkele manier wordt gekort - de minister heeft zijn sommen niet goed uitgerekend. Hij is van plan in totaal zeventien bataljons (waarvan drie in Schotland) af te stoten nog vóór hij afscheid neemt van veertien militaire taken die zijn berekend op eenheden op bataljonssterkte. De actievoerders zeggen dat de infanterie met de huidige omvang van 55 bataljons al haar verplichtingen nu al nauwelijks aan kan. De periodes van telkens een half jaar dienst doen in Belize, Cyprus, de Falklands en Noord-Ierland, afgewisseld met militaire oefeningen, maken het bestaan van de beroepsinfanteristen nu al “nauwelijks dragelijk”. Verder korten in manschappen, bij behoud van gelijke hoeveelheden taken, betekent dat “de soldaten met hun voeten zullen stemmen”.

De Schotten zijn vooral boos, omdat ze vinden dat de minister uitgerekend Schotland harder treft dan bijvoorbeeld Wales en Noord-Engeland. Dat steekt temeer omdat de Schotse regimenten meer dan wie ook werven uit de plaatselijke bevolking. Dienstplicht kent men in dit land niet en het op de been brengen van een beroepsleger hangt dus af van het vermogen van de plaatselijke regimenten om aantrekkingskracht uit te oefenen op jonge mannen en vrouwen in de eigen streek.

De Schotse regimenten zijn daarin beter dan hun tegenhangers in Engeland. Ze werven gemakkelijker, ze houden hun mensen langer vast en ze zijn daarom ook beter getraind, zoals ze onlangs in de Golfoorlog overtuigend hebben bewezen. “Hier wordt het beste uitgeroeid om ruimte te geven aan zwakkelingen”, zoals generaal MacMillan het verkiest uit te drukken. Hij is vol minachting over de bataljons in Engeland, waar nu al militairen weglopen in het zicht van de aangekondigde bezuinigingen. “Geen ruggegraat”, zeggen zijn officieren over een dergelijke lafheid bij de Engelsen. De officieren, in flannellen ruitjeshemden en met regimentsdas, zijn, net als de generaal, ook allemaal b.d. (buiten dienst): hun dienstdoende collega's zouden immers de kogel kunnen krijgen voor landverraad indien ze zich openlijk tegen de plannen van de minister zouden keren.

Kolonel Mike Ashmore van de Royal Scots is zo'n officier-buiten-dienst die campagne voert voor behoud van zijn regiment. Hij heeft een boerderij 25 mijl buiten de stad, maar rijdt ten behoeve van de actie elke dag op en neer naar Edinburgh Castle. Daar is het hoofdkwartier van de Royal Scots, het oudste regiment van Schotland. Van de omwalling van het kasteel kan hij uitzien over een omgeving waaruit al 358 jaar lang de leden van het regiment voortkomen. Hij beschrijft het legeronderdeel als had hij het over zijn familie. In zekere zin is het zijn familie, want als kleine jongen luisterde hij al naar de verhalen van een oom die bij het regiment dienst deed. Voor hem was het ondenkbaar iets anders te worden dan een Royal Scot, een gevoel dat hij desnoods wel wil vergelijken met het aanhanger zijn van een voetbalclub, maar dat tegelijkertijd veel verder gaat. Het regiment recruteert de solidariteit van vrouwen en moeders evenzeer als van zonen en vaders. En het zorgt voor de eigen aanhang van de wieg tot het graf.

In het regimentsmuseum op het kasteel voert hij de bezoeker vol trots langs de afbeelding van heldendaden uit de regimentsgeschiedenis: van Blenheim en Waterloo via Walcheren tot Koeweit. In de oorlog in de Golf waren de Royal Scots het meest onderscheiden regiment. De medailles die in 400 jaar tijd zijn uitgereikt zijn in het museum in honderden variaties aan frisse lintjes opgehangen in vitrines. Eronder, in laatjes, liggen er talloze meer. De laatjes gaan open voor de nazaten, die hier eerbiedig de onderscheiding van opa komen bekijken. Het is ondenkbaar dat daaraan een einde zou komen.

De campagne tot behoud van de Schotse regimenten berust mede op het argument dat tenminste 1800 arbeidsplaatsen verloren zouden gaan bij de opheffing van de bataljons. Kolonel Ashmore schroomt niet erop te wijzen dat de minister wél twee Gurkha-bataljons wil behouden. Moet de werkloosheid in Nepal dan bestreden worden, vraagt hij zich af, door werkloosheid in Schotland te creëren. Natuurlijk, de Gurkha's hebben menigmaal zij aan zij met de Royal Scots gevochten en in de jungle kun je geen betere jongens hebben. Maar gevoelens van solidariteit beginnen op je eigen drempel en niet in Nepal.

De campagnevoerders zeggen dat de strijd om het behoud van de Schotse regimenten in het parlement moet worden gewonnen. Om die reden kunnen Lagerhuisleden bij terugkeer van hun vakantie een stapel brieven op de mat verwachten van ingezetenen van hun kiesdistrict, die willen weten of zij vóór of tegen de voorgestelde bezuinigingen zullen stemmen. De zittende regering heeft toch al moeite om ten noorden van de grens een minderheid van Conservatieve parlementsleden in hun zetel te houden. Zij zal dus moeten kiezen, zo gaat de redenering van de campagnevoerders, of zij haar zittende Lagerhuisleden van hun krappe meerderheid wil afhelpen door vast te houden aan een plan dat de gevoelens van de plaatselijke kiezers zo in beroering brengt. “Wee degene die mij dwars zit” is de populaire vertaling van de lijfspreuk van de Royal Scots: “Nemo me impune lacessit”.

“Mijn vrouw heeft net vanmorgen aan haar parlementslid geschreven dat hij niet hoeft te rekenen op haar steun bij het werven van fondsen, het uitdelen van folders of het voorbereiden van de verkiezingen”, zegt één van de kolonels-buiten-dienst in het campagnekantoor. “Wij militairen zijn van nature Tory-gezind, maar als dit doorgaat, hoeven ze op ons niet meer te rekenen.”

Schotse regimenten hebben een lange traditie, waaraan ze niet zomaar een einde willen laten komen. (Foto British Information Services)