Nieuw kunstinstituut ICA zaterdag open; A'dam krijgt modern museum zonder collectie

Na twee jaar voorbereiding gaat zaterdag 7 september het nieuwe Institute of Contemporary Art in Amsterdam open. Het ICA is géén museum, maar “een instelling die tentoonstellingen maakt op museaal niveau, zonder kunst voor de toekomst te bewaren,” verklaart de directeur, de Peruaan Eduardo Lipschutz-Villa.

AMSTERDAM, 4 SEPT. Architect Peter Sas heeft het ICA-gebouw aan de Nieuwe Spiegelstraat, oorspronkelijk de behuizing van de Lippmann Rosenthal bank, op elegante wijze aangepast aan de nieuwe bestemming. Er voeren trappen van gegalvaniseerd zink langs hoge deuren van glas of industrieel aandoend metaal naar de 1500 vierkante meter aan expositieruimte. Die bestaat niet alleen uit reguliere zalen, die op een aantal plaatsen door vides met de andere verdiepingen worden verbonden, maar ook "kabinetten' van intiemer formaat.

Achter de hoge deuren op de begane grond bevinden zich de boekwinkel, een dependance van Art Book, en het restaurant dat over enige tijd open zal gaan. De zolder op drie hoog is nu ook een grote open zaal geworden, waar de high-tech liftschacht een frappant contrast vormt met de houten dakconstructie. Maar net als vroeger zijn de kantoren gevestigd in de plechtige, gelambrizeerde vertrekken op de eerste verdieping.

Er bestaan al ICA's in Londen, Boston, Philadelphia en Nagoya. Volgens Lipschutz-Villa zijn ze organisatorisch gezien volstrekt autonoom en hebben ze alleen hun benadering van de hedendaagse kunst gemeen. Een "collectie' zal het ICA in Amsterdam niet aanleggen, wel wil het instituut zijn exposities "documenteren', niet alleen door middel van uitvoerige catalogi, waarvoor een lange termijn-samenwerking met de SDU is afgesproken, maar ook door een enkel stuk van de exposerende kunstenaars te verwerven. Lipschutz ontkent geruchten als zou het ICA een "opzetje' zijn van een klein aantal verzamelaars om tegen aantrekkelijke prijzen werk van de exposerende kunstenaars te kunnen kopen. “Ik koop weleens een kunstwerk als ik er hals over kop verliefd op ben, maar ik ben absoluut geen verzamelaar.”

Lipschutz is vier jaar geleden naar Nederland gekomen en heeft hier verschillende activiteiten ontplooid - al dan niet met subsidie van WVC - op het gebied van de kunstpromotie. Ook daarover doen er geruchten de ronde, maar hij zit er niet mee. “Ik doe mijn werk en mijn werk is goed. Daar gaat het om, niet om mijn imago.”

Over het expositiebeleid van het ICA zegt Lipschutz: “Als directeur ga ik uit van mijn eigen persoonlijke visie, die ik bespreek met het bestuur. Daarin zitten directeur Bjorn Stringvelt van het museum voor moderne kunst in Stockholm; Fumio Nanjo, conservator in Japan en van de 'Aperto' op de Biennale van 1989; Vicente Todoli, hoofdconservator van het Ivam-museum in Valencia; Jean-Christophe Aman, directeur van het museum van moderne kunst in Frankfurt; en Els Hoek van de stichting Oud-Amelisweerd.

“Mijn bedoeling is om verschillende stromingen in de hedendaagse beeldende kunst in de context van een museum te integreren. Ik zou er niets op tegen hebben een expositie te organiseren van een dichter, een filmregisseur, een architect, een theatermaker - of zelfs een modeontwerper, zoals Matsuda. Ik was heel blij toen ik onlangs ontdekte dat er werk van de Japanse modeontwerper Issey Miyake in de collectie van het Stedelijk is opgenomen.”

De eerste twee tentoonstellingen zijn van Richard Tuttle en Kiki Smith. Wat zal het ICA betekenen voor Nederlandse kunstenaars? Het antwoord is kort en duidelijk: “Bij het kiezen van kunstenaars kijk ik niet naar hun nationaliteit, maar naar hun werk.”

Wel doet het ICA volgens hem veel voor de Nederlandse conservator. “In Nederland wordt ontzettend veel gedaan voor de kunstenaar: stipendia, subsidies, allemaal prachtig. Maar elk jaar studeren er potentiële conservatoren af voor wie er heel weinig mogelijkheden zijn. Daarom hebben wij het programma "Signalen' bedacht, waarbij het ICA Nederlandse conservatoren uitnodigt een voorstel in te dienen voor een tentoonstelling die ze graag zouden maken. Wij bieden dan de technische en organisatorische faciliteiten.”

Over de financiering van het ICA wil Lipschutz alleen zeggen, dat het geld niet van de overheid komt maar van particuliere sponsors. Nergens in het gebouw komen er logo's te hangen. “Het gaat de sponsors om de liefde voor de kunst,” stelt de directeur, “en om het genoegen mensen van die kunst te zien genieten.” Is dat niet een wat al te altruïstische houding? “Als je het Stedelijk binnenkomt, val je ook niet op je knieën op de stad Amsterdam en WVC te bedanken. Moeten daar dan boven de deur de drie kruisjes en de twee leeuwen hangen?”