Gedrang rond subsidiepot ballet; Na meer dan dertig jaar wil men eindelijk eens een einde maken aan de salarisachterstand van dansers

Het tweede Rijkskunstenplan treedt vanaf 1 januari 1993 in werking. Voor vier jaar liggen dan vrijwel alle subsidies vast. Ook de danssector diende deze zomer de beleidsplannen in tot en met 1996. Het is dringen geblazen op de subsidiemarkt.

Een groeiend aantal dans- en balletgezelschappen dient zich aan voor een meerjarige overheidssubsidie. In de stapel ingediende beleidsnota's verdedigen niet alleen de negen structureel gesubsidieerde gezelschappen hun bestaansrecht, maar maken ook kleinere groepen, die tot nu toe op jaar- of projectbasis werden gesteund, zich hard voor de vierjarige subsidie. Zij zijn het sappelen zat.

Sinds 1989 heeft WVC de kunstsubsidies ondergebracht in het Kunstenplan. Om de vier jaar worden de artistieke merites van de kunstinstellingen opnieuw beoordeeld door de Raad voor de Kunst. Onder voorzitterschap van vormgever Benno Premsela buigt voor de sector Dans vanaf 1 oktober een nieuwe, vier man sterke advieswerkgroep - waarvan twee belang hebben bij een dansgezelschap - zich over de beleidsnota's.

Frustratie doet Het Concern meedansen om de meerjarige subsidiepot. De bij het collectief aangesloten, oudere choreografen - Arnold Goores, Patrice Kennedy, Helga Langen, Angela Linnsen en Margie Smit - voelen zich enigszins ondergewaardeerd. Artistiek gezien valt er weinig vreugde te beleven aan het begeleiden van beginnende collega's. Daarom wordt het accent verlegd naar het stimuleren van jong danstalent. De samenwerking met bekende theater- of filmregisseurs als Gerardjan Rijnders en Eric de Kuyper blijft gehandhaafd.

De Nieuwe Dansgroep wil ook een financiële bodem onder de voeten. De artistiek leidster Jacqueline Knoops tracht een breder publiek te bereiken met pure dansstukken die in een theatrale vorm zijn gegoten. Eenzelfde stijl verlangt zij van de gastchoreografen. Haar zeven dansers krijgen echter maar vier maanden uitbetaald. Een toereikende subsidie zou voor hen een jaar salaris betekenen, terwijl het aantal voorstellingen in binnen- en buitenland kan worden uitgebreid.

Ook Djazzex doet mee aan de race voor opname in het Kunstenplan. Het Haagse jazz-dansgezelschap wil een educatieve afdeling opzetten, want het kan aan de vraag naar schooloptredens niet voldoen. Meer financiële armslag is welkom om de dansers een minimaal salaris te garanderen. De repertoire-opbouw wordt aangepakt. Er komen meer tournees, want ook in het buitenland groeit de belangstelling.

Verder is er nog Coup d'Amour. Het in 1989 opgerichte choreografisch samenwerkingsverband acht de tijd rijp voor een meerjarige subsidie. Daarentegen besloot Stichting Dansity van de choreograaf Pieter de Ruiter door te gaan op basis van het aanvragen van projectsubsidie. Volgens De Ruiter moet men meer samenwerken, omdat er geen ruimte is voor nóg een nieuwe dansgroep. Hij heeft Het Nationale Ballet benaderd voor deelname aan hun choreografische workshop. Evenals Foltz + Company houdt Danstheater Nan Romijn het voor gezien, na tien jaar werken met behoud van uitkering. Het vindt zichzelf kaltgestellt door de subsidiegevers (rijk, provincie en gemeente) en bij voorbaat kansloos.

Desondanks liggen er twee aanvragen voor een nieuw gezelschap. Na het wegvallen van het Scapino Ballet als jeugddansgroep probeert een Haags initiatief onder leiding van de dansdocent Ivan Kramar dat gat te vullen. Twaalf jonge dansers - gekozen uit eindexamenkandidaten van de dansvakopleidingen en een paar meer ervaren collega's - brengen choreografieën in verschillende dansstijlen. Het Scapino Ballet Rotterdam heeft bestaand repertoire ter beschikking gesteld, evenals het Folkloristisch Danstheater, terwijl verscheidene choreografen bereid zijn hun medewerking te verlenen. De presentatie heeft plaats op 29 maart 1992 in het AT-T Danstheater in Den Haag.

De moderne dansveteranen Yoka van Brummelen - oud-directeur van het Groningse Dansgezelschap Reflex - gokt met haar groep Augustus (in oprichting) op een vaste speelplek in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Zij heeft een landelijk repertoiregezelschap voor ogen met een tableau van 25 tot 30 dansers. Het repertoire zal bestaan uit eigentijdse choreografieën. Als essentieel onderdeel van haar plan noemt Van Brummelen een werkplaats voor beginnende choreografen en dansers. Net als Toneelgroep Amsterdam wil zij op verschillende speelplekken opereren. Haar bedoeling is om elk seizoen 18 nieuwe werken van drie vaste choreografen en enkele gasten uit te brengen.

Beppie Blankert heeft een ander voorstel. Zij wil een “pool” van twintig dansers formeren uit de kwalitatieve bovenlaag van het free-lance bestand. In De Dansers Studio kunnen de geselecteerde dansers trainen, terwijl door Blankert uitverkoren choreografen voor een produktie hun keuze mogen maken uit de voorraad.

De wensen van de bij het Direktie Overleg Dansgezelschappen (DOD) aangesloten balletgroepen, die een structurele dan wel meerjarige subsidie ontvangen, centreren zich rond één verlangen. Na meer dan dertig jaar wil men eindelijk eens een einde maken aan de salarisachterstand van de dansers en overig personeel. En bloc is er een “wensbegroting” ingediend met een verhoogde loonpost van 43 procent. Dit percentage is de uitkomst van het rapport Dansen voor je leven van Daniëlle Mol.

Daarnaast handhaven de DOD-gezelschappen de oude beleidskoers. Derhalve vraagt het Folkloristisch Danstheater 450.000 gulden voor de aanpassing van de salarissen en eenzelfde bedrag om het huidige beleid voort te zetten. Bij dansgroep Krisztina de Châtel zijn de knelpunten voornamelijk het krappe budget voor produktie en publiciteit. Stichting Dansproduktie krijgt een kleine ombuiging ten gunste van het werk van artistiek leidster Bianca van Dillen. Men schroomt niet meer om ouder werk in reprise te nemen. Meer aandacht krijgen de trainingsfaciliteit van externe dansers en de buitenlandse tournees.

Ook de Rotterdamse Dansgroep wil meer de grens over met een groter aantal dansers. Een tableau van negen is te klein om per seizoen vijf programma's te realiseren en 80 voorstellingen. Het Scapino Ballet Rotterdam hoopt eindelijk de taak als stadsgezelschap te kunnen vervullen en bracht nogmaals de oude beleidsnota Changeren onder de aandacht van de subsidiënten. Dansgezelschap Reflex in Groningen vraagt meer dansers voor meer produkties in grote en kleine zalen. Introdans wil de educatieve dienst uitbreiden. De kindermatinees van deze afdeling zijn zeer in trek. Dit vraagt om dansers en choreografen die zich in jeugdvoorstellingen willen specialiseren. De Arnhemse groep zet zich af tegen de overlappingen bij de repertoiregezelschappen. Hij wenst geen deel uit te maken van “de eenheidsworst” en zoekt een afwijkend repertoire. De aangetrokken choreografen zullen zich in de toekomst moeten verplichten om in hetzelfde seizoen geen werk in te studeren bij een ander gezelschap.

Blijven over de twee grote gezelschappen met een structurele subsidie. Het Nederlands Dans Theater voert ook de 43 procent voor het wegwerken van de achterstand van de danserssalarissen op (1,2 miljoen gulden). De verhoging van de theaterhuur wordt gecompenseerd door de opbrengst van de buitenlandse tournees. De nieuwe afdeling NDT 3 blijft budgettair neutraal en brengt geen verzoek om subsidiëring met zich mee. “Wij zijn broodnuchter”, aldus artistiek leider Carel Birnie, “slechts bezuinigingen van WVC tasten de wezenlijke functie van ons gezelschap aan. Ik zal mij met uiterste middelen verzetten als er geld wordt weggenomen. Ik heb respect voor het bedrag dat ik nu van de overheid ontvang. Ten opzichte van Het Nationale Ballet hebben wij echter een grote achterstand.”

Het Nationale Ballet heeft een nieuwe artistiek leider, de Canadees Wayne Eagling, en krijgt over een half jaar een andere zakelijk leider. De financiële eisen liegen er niet om: men wil 4 miljoen meer.