Engelen

Van de hemel, die mij in mijn jeugd werd voorgespiegeld, heb ik mij nooit een voorstelling kunnen vormen, zomin als de gelovigen zelf daartoe in staat waren. Wat erover werd verteld, beperkte zich tot een onwaarschijnlijke stoffering van het hiernamaals. Waarmee de zaligen zich in de eeuwigheid onledig hielden, bleef duister. Engelen heb ik, daarentegen, zoniet geloofwaardig dan toch hoogst voorstelbaar gevonden. Ik betreurde het alleen dat ik ze nooit zag. Ik benijdde de stervelingen uit de bijbel die ze op bezoek kregen. Ik voelde mij daarin tekort gedaan. Nu is dat alles heel anders geworden. Ik geloof niet in engelen maar ik kom ze dagelijks tegen. In de winkels word ik erdoor bediend. Ik zie ze achter computers zitten en soms staan zij thuis, in de keuken, een uitheems maal te bereiden.

Ik had graag een engel willen zijn, al was het alleen maar om te kunnen vliegen. Op vogels ben ik nooit werkelijk jaloers geweest, omdat ik mijn handen niet zou willen missen en mijn mond niet graag voor een snavel zou verruilen, al spaart het een notenkraker uit. Engelen bezitten, vergeleken met vogel en mens, alle voordelen van hun gevleugeldheid. Met enkele gulle wiekslagen vliegen zij van Amsterdam naar Venetië of van Roermond naar Lourdes. Ze kunnen onder het vliegen een brief in de hand houden, of met een gracieuze knik hun loshangende haren ordenen, zoals ik het meisjes op de fiets zie doen. Door hun grootte overtreffen zij adelaars maar zij zijn zachtzinniger dan een duif, al hangt het af van de boodschap die zij brengen of van de manier waarop zij worden ontvangen. Maar wie zou niet blij zijn wanneer de komst van een engel plotseling licht laat schijnen tot in de donkerste kamerhoek? En welke vrouw zou zich niet gevleid voelen wanneer een bovenaardse boodschapper haar komt aankondigen dat het de Schepper van hemel en aarde heeft behaagd haar schoot met een bezoek te vereren?

Engelen waren voor mij, toen ik als kind over ze begon na te denken, wezens die tot meer in staat waren dan mensen, zonder dat zij daardoor werden belast of in verwarring gebracht. Voor een mens is een groot talent, een uitzonderlijke vaardigheid iets dat hem weliswaar van zijn soortgenoten onderscheidt, waarin hij zich kan verheugen of waarop hij trots kan zijn, maar tegelijk is het een last die hem op de schouders is gelegd. Een groot danseres te zijn, een weergaloos pianist, een schilder van meesterwerken, een schrijver van halsbrekende gedichten: wat een beproeving! Een leven lang slepen zij hun genie, hun intelligentie, hun fijngevoeligheid of hun alom bekende humor met zich mee. Alleen een mooie vrouw smaakt de voldoening haar schoonheid te zien verwelken, zodat zij in de naamloosheid van een oude dame eindelijk zichzelf kan zijn.

Engelen lijken op mooie vrouwen wier schoonheid niet hoeft te verwelken omdat zij er niet door worden gekweld. Het zijn genieën die een rustig leven leiden, dansers die niet hoeven te oefenen, pianisten die niet bang zijn voor de kritiek. Zij kunnen alles: wonderen verrichten, vreemde talen spreken, afstanden teniet doen, door ijzer en voorhoofden dringen, zich schuil houden in een vingerhoed, drinken zonder dronken te worden - alles zolang het moet en op grond van de opdracht die hun is gegeven. Zodra zij hun boodschap hebben overgebracht, worden zij van hun volmaaktheid verlost. Met enkele vleugelslagen keren zij terug naar een leven dat wij ons niet kunnen voorstellen omdat aan onze rust de bezieling ontbreekt. Het is ons niet gegeven stil te zitten zonder ons te haasten, alles te weten en het te vergeten, tot alles in staat te zijn en het na te laten.

Wanneer ik op straat een engel zie weet ik dat het gezichtsbedrog is. Niet omdat deze engel geen vleugels heeft, maar omdat ik niet door haar ogen kan heenkijken in een verte die ik niet zelf heb ontdekt.