De tekens van Richard Tuttle in het ICA

AMSTERDAM, 4 SEPT. In een blinkend witte zaal van het nieuwe Institute of Contemporary Arts (ICA) in Amsterdam staat de Amerikaanse kunstenaar Richard Tuttle (1941) te midden van half uitgepakte kisten over een doos gebogen. Hij is de eerste exposant in het ICA. “Ik zoek al twintig minuten naar een van mijn sculpturen”, legt hij verlegen uit. Om hem heen is het een kakofonie van vormen en kleuren op de pas gestorte vloer. Piepschuim in de vorm van scheepjes, helder geel en blauw geschilderd, in verf gedoopte rollen canvas, een slang van gaas omwonden met ijzerdraad, lampefittingen bevestigd op hardgroen board, grote gekrulde vormen uit hout gesneden en staketsels die op het frame van wigwams lijken. Vlak voor mijn voeten liggen zes stukken berkestam die er uitzien als lichaamsdelen.

Al deze dingen zijn onderdelen van sculpturen die Tuttle tussen 1987 en 1989 maakte; ze zijn vanaf 8 september te zien op de openingstentoonstelling van het Institute of Contemporary Art in Amsterdam, die geheel is gewijd aan het omstreden oeuvre van Tuttle. Verder zijn er werken op papier en een zaal waarin hij zijn stukken hangt tussen tekeningen - omstreeks 1934 gemaakt - van de overleden Spaanse kunstenaar Julio Gonzalez, die Tuttle zeer bewondert.

Als dank voor het inwilligen van al zijn eisen omtrent de tentoonstelling, heeft Tuttle speciaal voor de opening ongeveer twintig litho's gemaakt die het ICA mag verkopen. Hij spreekt de roddels tegen, als zouden de sponsors van het ICA drie werken van elke tentoonstelling bij wijze van wederdienst mogen uitzoeken. “Eigenlijk is wat Eduardo (Lipschutz, directeur ICA, RS) doet, niets anders dan wat de Kunstvereins in Duitsland doen. Op den duur zal het ICA misschien leden werven als medefinanciers, omdat er niet wordt gewerkt met overheidsgeld.”

In 1979 had Tuttle zijn laatste grote expositie in Nederland. In het Amsterdamse Stedelijk Museum werden toen minieme werkjes op papier getoond die met ongewoon veel tussenruimte op de muren waren bevestigd. Op het eerste gezicht zagen de zalen er leeg uit. “Die tentoonstelling was zo controversieel, dat er nu nog over wordt gepraat. Het ICA wil die discussie voortzetten.”

Tuttle heeft diverse malen het alfabet als kunstwerk gepresenteerd en maakte letters van stof en tin. Een catalogus van zijn werk staat vol met handgeschreven fragmenten uit werk van filosofen als Kierkegaard en Bergson en van onder anderen de dichters Wordsworth en Schiller.

In hoeverre speelt taal een rol bij het ontstaan van uw kunstwerken?

“Een heel grote. Wat mij fascineert is: welk deel van kunst ontstaat vóórdat er sprake is van taal? Mijn vrouw is dichteres en het is haar taak woorden te vinden die een speciale energie hebben. Beelden kun je op een vergelijkbare manier opladen. Ik heb een enorm respect voor woorden en voor de mensen die ermee om kunnen gaan. Taal is cruciaal om te kunnen overleven. De Bijbel zegt het al: “In den beginne was het woord, en het woord was God.” Toch geloof ik niet, zoals de semiotici in de taalwetenschap beweren, dat alles taal is. Er is een plaats waar je buiten de taal kunt staan en daar ben ik naar op zoek.”

Tuttles werk zou je kunnen omschrijven als "tekens' die hij rechtstreeks op de wand bevestigt, oningelijst, bijna als graffiti. Op de tentoonstelling zal een serie sculpturen te zien zijn onder de titel Sentences. De zinsbouw, het bijeengaren van werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijwoorden, vertoont verwantschap met Tuttles opeenhoping van materialen en vormen waarin vervolgens een opmerkelijk transparante ordening wordt aangebracht. Een ander terugkerend aspect in zijn oeuvre is de maat van het menselijk lichaam die de afmetingen van zijn kunst bepaalt. Een beeld is vaak manshoog, de onderdelen komen overeen met de lengte van een arm of been.

Waarom dat uitgangspunt, terwijl u tegelijkertijd heeft gezegd dat u het lichaam wilt overstijgen?

“In het Carthesiaanse werelddeel zijn lichaam en geest gescheiden. Dat onderscheid kennen wij nog steeds, bijvoorbeeld in de traditionele geneeskunde. In Oosterse landen ligt dat anders. Mijn werk gaat over niet-materialiteit. Ik ben fel gekant tegen het materialisme in onze samenleving. Maar het lichaam is ook materie en creëert materie. Als kunstenaar kun je die stoffelijkheid overdragen op het kunstwerk en zo je lichaam overstijgen. Maar er moet een evenwicht zijn met het spirituele: veel performance- of body-art die in de jaren zeventig werd gemaakt, is heel slecht van kwaliteit. Het is niet interessant alleen het lichaam centraal te stellen.”

U heeft Agnes Martin en Tony Smith uw kunstmoeder en -vader genoemd. Zijn er nog andere familieleden in de kunstgeschiedenis?

“Ik heb er veel vrienden. Alles wat een kunstenaar maakt, is een zelfportret. Dus als ik iets zie wat mij bevalt, is het alsof je een kameraad hebt ontmoet. Kunstenaars zijn vaak gekwetst dat wat zij zèlf belangrijk vinden in hun werk, door veel mensen over het hoofd wordt gezien. Collega-kunstenaars zien die verborgen schatten wèl. Velazquez waardeer ik om zijn kleurgebruik en ik houd van de overgang van Rococo naar Romantiek, de Sturm und Drang-periode. Pollock is interessant vanwege de enorme schaal van zijn schilderijen, die hij trouwens ontleende aan Mexicaanse muurschilderingen.

U praat soms over uw kunstwerken alsof het mensen zijn: kan die wel met die overweg, moeten ze niet meer Lebensraum om zich heen, etcetera. Zijn uw objecten voor u bezield?

“Een kunstwerk is als een kind. Je wilt dat het goed wordt behandeld en zich in het gezelschap van aardige mensen bevindt. Op Nieuw-Guinea zag ik een kunstwerk dat mij misschien wel het meest heeft geraakt van alle kunst die ik ken: een religieus object dat een huis voor de godheid was. Ik heb het, besef ik nu ineens, verwerkt in mijn beeld Two uit 1987 dat op de tentoonstelling te zien is. Misschien heb ik daar wel een huis voor de ziel gemaakt, ja, of voor de kunst. Want uiteindelijk gaat al mijn werk over dat vraagstuk: wat is kunst? De vraag is complex, maar mijn kunstwerken moeten zo simpel van vorm zijn als maar mogelijk is.”