De indeling in regimenten, waarop het Britse ...

De indeling in regimenten, waarop het Britse leger nog steeds berust, wordt vaak bekritiseerd als archaïsch, inefficiënt en reactionair. Om uit te leggen, waarom die kritiek ten onrechte is, krijgt iedere Royal Scot bij zijn aantreden het volgende uittreksel mee uit een toespraak van wijlen luitenant-generaal Sir William Scotter, KCB, OBE, MC, vice-commandant van de generale staf, voor de conferentie van infanteriecommandanten in maart 1977:

“Bij de marine of de luchtmacht kan alleen de kapitein of de piloot op de vlucht slaan. Dat is bij de landmacht anders en de motivatie die nodig is om iemand ervan te overtuigen dat hij zijn plicht moet doen in het aangezicht van de vijand is in de infanterie zelfs verschillend van die bij andere legeronderdelen. Hij is verschillend omdat het slagveld waarop de infanterist zich beweegt niet hetzelfde is als dat van anderen. De cavalerist die in angst zit, bij voorbeeld, is nog steeds vlakbij de rest van zijn ploeg en hij kan ze aanraken. Hij weet dat hij een onmisbaar onderdeel is. Of hij nu de chauffeur, de radioman of de tankcommandant is, het is te allen tijde duidelijk voor hem dat zijn falen kan leiden tot het met de grond gelijk maken van zijn hele ploeg. Zo is het evengoed duidelijk voor de artillerist in angst, dat zijn falen de rest van de ploeg bij het wapen in gevaar kan brengen. Hij wordt bovendien gesterkt in zijn vastbeslotenheid om vol te houden door de wetenschap dat degenen die hij ondersteunt, vermoedelijk slechter af zijn dan hijzelf. Maar de infanterist die in angst zit, die beschutting zoekt in een bomgat en geen contact heeft met de rest van zijn sectie, kan zichzelf maar al te gemakkelijk aanpraten dat hij, door op zijn eentje vol te houden, toch geen invloed zal hebben op de uitkomst van de slag. Wat hem ertoe brengt zich toch op te richten en te vechten, is de wetenschap dat zijn kameraden dat ook doen en dat ze erop vertrouwen dat hij hen niet in de steek laat, zoals zij hem niet in de steek laten.

Dus ik wil het zo stellen: er is een zekere gevarendrempel tot waar je een goed gevoede, goed toegeruste, intelligente en redelijk gemotiveerde man kan brengen. Verder dan die drempel zal hij niet gaan zonder de niet-tastbare stimulansen van loyaliteit aan kameraden die hij vertrouwt en zonder de inspiratie van zijn officieren en onderofficieren. Deze gevarendrempel wordt herhaaldelijk overschreden in zogeheten “vredeshandhavende” operaties. Soldaten moeten daarop zowel in vredestijd als in oorlog voorbereid zijn.

Dit is wat een leger gaande houdt. Dit is waarom wij geen infanteriekorps willen - hoe theoretisch efficiënt dat in de gedachten van academici ook mag lijken. Daarom verdient het de voorkeur om personeel te recruteren uit hetzelfde geografische gebied. Daarom stellen we onze hoop op kleine groepen mannen en daarom vormen magische wapens, opzichzelf genomen, geen antwoord. Daarom moeten we aan de structuur van ons leger, het systeem van indeling in regimenten, door dik en dun vasthouden.''