De fiscus en de Balten

De erkenning van de Baltische staten is weliswaar politiek beklonken maar juridisch is zij nog niet in kannen en kruiken. De formele diplomatieke erkenning wordt pas vrijdag in Brussel getekend. Dan beginnen ook besprekingen om na te gaan of de verdragen die tussen Nederland en de Sovjet-Unie bestonden ook voor Estland, Letland en Litouwen gaan gelden. Twee belangrijke verdragen voor bedrijven die in deze landen willen investeren, zijn het belastingverdrag en de overeenkomst voor de bescherming van investeringen.

Dat laatste verdrag waarborgt een vrij geldverkeer en beschermt investeringen tegen nationalisaties en soortgelijke overheidsacties. Al bijna twee jaar geldt er zo'n overeenkomst met de Sovjet-Unie. Zij is voor de banken vaak een voorwaarde voor het verstrekken van geldleningen voor investeringen in zo'n land. Bovendien geeft het ministerie van financiën bij de handel met zo'n land alleen een kredietgarantie als er een beschermingsovereenkomst bestaat.

Zulke overeenkomsten zijn daarom voor de Baltische staten van groot belang. Geen overeenkomst, geen Nederlands bedrijfsleven. Anderzijds is voor Nederland zo'n overeenkomst pas interessant als er zich daadwerkelijk grote bedrijven met investeringsplannen aandienen.

Voor wat ons land betreft, is het dan vroeg genoeg om te gaan onderhandelen. Dat heeft twee voordelen. In de eerste plaats kan men dan onderhandelen met het specifieke belang van de betrokken multi-national voor ogen; in de tweede plaats kunnen we het andere land tot een gunstiger onderhandelingsresultaat verleiden als we ze de "worst' van een concrete en aanzienlijke investering kunnen voorhouden.

Het verbaast dan ook niet dat een woordvoerder van het ministerie van economische zaken onlangs liet weten dat Nederland waarschijnlijk niet zal meewerken aan het geruisloos "overzetten' van de met de Sovjet-Unie gesloten investeringsbeschermingsovereenkomst naar de Baltische Staten.

Voor het belastingverdrag kan dat anders liggen. Een belastingverdrag regelt tot in details welk van de twee verdragslanden in bepaalde dubbelzinnige situaties belasting mag heffen. Zo wordt voorkomen dat men in beide landen de fiscus aan zijn broek krijgt. Dat is vooral belangrijk voor het bedrijfsleven, dat door het verdrag precies weet waar het aan toe is.

Een van de sterke kanten van Nederland is ons netwerk van belastingverdragen, dat uniek is in de wereld. Dat verdragennet is evenwel niet alleen belangrijk voor puur Nederlandse bedrijven. Ook buitenlandse ondernemers kunnen er gebruik van maken. Die moeten dan wel een kantoor in Nederland openen. Dit wordt het moederbedrijf voor de buitenlandse activiteiten. Zoiets past prima in de Nederlandse ambitie om als financieel centrum te fungeren.

Op het ministerie van financiën weet men daarom nog niet of ons land ook een probleem moet maken van het "overplanten' van het belastingverdrag met de Sovjet-Unie naar de Baltische republieken. Het Sovjet-verdrag zou weliswaar op een enkel punt (zoals voor het wegvervoer) nog wat kunnen worden bijgesteld, maar die wens zou bij de besprekingen met de Balten ingebracht kunnen worden. Zodoende zou het voor buitenlandse bedrijven aantrekkelijk blijven hun investeringen door een Nederlands kantoor te laten doen.

Men moet overigens niet denken dat ons land een ongunstig verdrag met de Sovjet-Unie heeft afgesloten. Integendeel, dit verdrag kan gelden als een staaltje fiscale diplomatie op hoog niveau. Wat is de voorgeschiedenis? In de zeventiger jaren had de Sovjet-Unie alleen belastingverdragen met de Verenigde Staten en Finland. Meer was niet nodig want buitenlandse bedrijven konden hoe dan ook op maximale mildheid van de Russische fiscus rekenen.

Die houding veranderde dramatisch toen de verhouding tussen de Sovjet-Unie en de Westerse landen in 1980 verslechterde door de inval in Afghanistan, de daarop volgende boycot van de Olympische Spelen en de crisis in Polen. Voor buitenlandse bedrijven dreigden plotseling flinke belastingaanslagen.

Nederland was er als de kippen bij om onderhandelingen over een belastingverdrag te beginnen. Het ministerie van financiën in Den Haag wist zowaar gedaan te krijgen dat voor de duur van die onderhandelingen het Nederlandse bedrijfsleven geen Russische belastingen hoefde te betalen.

Vervolgens traineerde Den Haag de besprekingen. Net zolang tot de inmiddels ook toegeschoten grootmachten Duitsland en Frankrijk met hun onderhandelingen klaar waren. Die machtige landen hadden van Moskou concessies kunnen afdwingen waar het kleine Nederland niet mee aan had moeten komen. Pas toen alleen landen als Portugal en Griekenland nog geen verdrag hadden afgesloten, gingen de ambtenaren van het Haagse ministerie van financiën weer serieus aan het onderhandelen.

Verwijzend naar de regelingen in de met andere landen afgesloten verdragen, wisten zij met een voor het Nederlandse bedrijfsleven uitzonderlijk goed resultaat uit de bus te komen. Dit in 1988 in werking getreden verdrag geldt nog tot 1995.

Een zelfde tactiek hanteert Den Haag trouwens ten opzichte van Washington. De Verenigde Staten beschouwen Nederland als een belastingparadijs. Sinds 1980 proberen zij daarom het belastingverdrag zo te wijzigen dat er een aantal "lekken' (in Amerikaanse ogen dan) uit verdwijnen. De Amerikanen zijn aan het lijntje te houden in afwachting van de uitkomst van soortgelijke onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Duitsland. Die gesprekken zijn overigens kort geleden afgesloten.

Het ligt voor de hand dat Nederland bij de komende erkenningsbesprekingen met Estland c.s. zal proberen het belastingverdrag met de Sovjet-Unie naar de Baltische republieken te laten overgaan, zo mogelijk met enkele aanpassingen. Zo acht men het in Den Haag gewenst dat het belastingpercentage voor naar Nederland overgemaakte dividenden lager wordt dan de huidige twintig.

Ideaal zou zijn de regeling die daarvoor met Polen is getroffen. Die hebben in de onderhandelingen in 1979 een belangrijke veer gelaten door af te zien van belastingheffing over dividenden die Poolse dochterondernemingen uitkeren aan Nederlandse moedermaatschappijen. Een dergelijke gunstige regeling heeft verder alleen Maleisië (het financiële centrum in het Verre Oosten) bij de Poolse regering kunnen afdwingen.

De aardigheid voor het internationale bedrijfsleven is, dat Nederland op grond van zijn nationale wetgeving, zelf ook van belastingheffing over die dividenden afziet. Door de gunstige bepalingen in het Nederlands-Poolse verdrag kunnen Westerse bedrijven met een vestiging in Polen een belastingvrije dividendstroom van Polen naar het Westen laten lopen; mits zij Amsterdam als tussenstop gebruiken.