Complex netwerk BCCI-bedrijven

GEORGE TOWN (Kaaiman Eilanden), 4 SEPT. De situatie van de BCCI-ondernemingen op de Kaaiman Eilanden is uitermate gecompliceerd. Dat is volgens betrokkenen bij het onderzoek ter plaatse een van de redenen dat op dit moment nog lang geen helder beeld bestaat van de totale schulden, het eventuele tekort, de resterende activa en de onderlinge verstrengeling.

Het gaat in Grand Cayman om drie ondernemingen: BCCI (Overseas) Ltd, Credit and Finance Corporation Ltd (CFC) en Internationale Credit and Investment Company (Overseas) Ltd (ICIC). BCCI (Overseas) dateert uit 1975. Deze onderneming heeft sedert 1979 een klasse A vergunning en mocht daardoor ook op de Kaaiman Eilanden zelf zaken (zowel bank- als trustactiviteiten) doen. CFC is ongeveer even oud maar mocht alleen zaken doen met buitenlandse cliënten.

Zowel BCCI (Overseas) als CFC zijn lid van dezelfde groep. Zij vallen onder de BCCI Holding in Luxemburg. Deze houdstermaatschappij had talloze dochterondernemingen die uitsluitend in hun landen van vestiging bankzaken deden. In sommige opzichten lijkt BCCI (Overseas) op BCCI S.A. in Groot-Brittannië. De ongeveer 60 kantoren in 29 landen buiten de Kaaiman Eilanden deden aan lokale retail banking.

Maar daarnaast vervulde BCCI (Overseas) nog een hele belangrijke rol. De onderneming fungeerde als centrale kas (treasury) voor de hele BCCI groep en was daarmee verantwoordelijk voor het voldoen aan de solvabiliteits- en andere eisen van BCCI-vestigingen over de hele wereld.

Een van de voornaamste problemen die de toezichthouders (lees: centrale banken) in tal van landen met BCCI hadden, was dat de groep onder controle stond van een niet-bank (de holdingmaatschappij in Luxemburg). Die holding viel in geen enkel land onder het toezicht van de monetaire- en bankautoriteiten. En toch waren de zaken van alle eenheden binnen de groep, vooral BCCI SA en BCCI (Overseas), in zeer aanzienlijke mate met elkaar verstrengeld. Dus hoewel de groep uit verschillende juridische eenheden bestond, vallend onder het toezicht van de diverse toezichthouders, opereerde BCCI in de praktijk in vele opzichten als één bank.

Met CFC lag het anders, deze onderneming was uitsluitend actief op de Kaaiman Eilanden. Volgens regeringsadvocaat Robert Denman in George Town lijkt het of CFC voornamelijk een boekhoudhundige rol vervulde voor grootschalige financiële activiteiten binnen de totale BCCI-groep.

ICIC heeft altijd een uitzonderingspositie ingenomen. De onderneming is geen lid van de BCCI groep in die zin dat de aandeelhouders verschillen. De uiteindelijke eigenaar is een onderneming op de Kaaiman Eilanden met een bepaling in haar statuten dat haar activa bij ontbinding toevallen aan charitatieve projecten. (BCCI en haar oprichter Abedi hebben altijd veel steun verleend aan en goede sier gemaakt met financiële en andere ondersteuning van projecten in de Derde Wereld en andere liefdadigheid).

ICIC onderhield zeer nauwe banden met BCCI. “Maar de details van die verstrengeling zijn uiterst moeilijk te doorgronden”, werd op de rechtzitting in Grand Cayman gezegd. Dat is de reden dat de regering van de Kaaiman Eilanden akkoord gaat met uitstel van liquidatie voor ICIC, ook al heeft de in het vooruitzicht gestelde financiële steun uit Abu Dhabi geen betrekking op deze onderneming. De bewindvoerders geloven dat er bij het laten voortbestaan van ICIC “niets te verliezen maar mogelijk iets te winnen” is. De bewindvoerder liet verklaren dat liquidatie van ICIC nu vooral een lagere opbrengst zou opleveren “door een aantal nog uitstaande leningen in het buitenland”.

Over de precieze schulden van BCCI's ondernemingen op de Kaaiman Eilanden is officieel nog niets naar buiten gebracht. Sommige schattingen - niet meer dan dat - gaan uit van enkele honderden miljoenen dollars. Bekend is dat BCCI (Overseas) Ltd eind 1989 beschikte over in totaal 8,9 miljard dollar aan activa. De bank had op dat moment voor 4,2 miljard dollar aan deposito's in de boeken staan.