Behoed de jeugd voor gevaarlijke tabaksreclame

Zolang de vrije verkoop van tabaksprodukten wettelijk is geoorloofd, lijkt er onvoldoende grond te bestaan voor een totaal verbod op tabaksreclame. De omvang van het rookprobleem is echter van dien aard dat vèrgaande maatregelen ter beteugeling van de erdoor aangerichte schade aan de gezondheid alleszins gewettigd zijn. In 1986 waren er in de Verenigde Staten 350.000 doden te betreuren als gevolg van het gebruik van tabakswaren, dat wil zeggen meer dan de 293.000 Amerikaanse slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

In de discussie over tabaksreclame blijven enkele essentiële elementen onderbelicht. Zo realiseren we ons onvoldoende dat de tabaksindustrie over enorme fondsen beschikt om rookwaar te slijten en zich als een fatsoenlijke bedrijfstak te presenteren. Zo waren in 1984 zes van de zeven grootste adverteerdeers van één enkel produkt in de Verenigde Staten tabaksfabrikanten. De bedragen die zij dat jaar aan advertentiecampagnes besteedden, varieerden van veertig- tot honderdmiljoen dollar. Het leeuwedeel van deze reclame is - uit welbegrepen eigenbelang - gericht op de nog-niet-verslaafden, met andere woorden op de jeugd, al wordt dit uiteraard niet met zoveel woorden toegegeven. In de Verenigde Staten is vastgesteld dat de betrokken industrie in 1985 voor 6,3 miljoen dollar heeft geadverteerd in Glamour, een blad dat veel door meisjes onder de achttien jaar wordt gelezen. In datzelfde jaar werd in TV Guide, dat wordt gelezen door 8,8 miljoen tieners tussen de twaalf en achttien jaar, voor 36 miljoen dollar geadverteerd door de tabaksindustrie. In dit kader dient ook de bordreclame in de stadions niet te worden vergeten.

Mogelijk van nog meer belang is de financiële bemoeienis met sponsoring. R.J. Reynolds Tobacco USA publiceerde in het jaarverslag van 1986 dat een geschat aantal van 25 miljoen kijkers de meer dan 1400 door Reynolds gesponsorde sportieve evenementen had bijgewoond. Spnsoring heeft een belangrijk neveneffect dat tot dusver minder de aandacht heeft gekregen. Het lukt bedrijven die welbewust grof geld verdienen aan een produkt dat op langere termijn een aantal slopende ziekten en een ontijdige dood ten gevolge kan hebben, om via deze sponsoring een zeker maatschappelijk aanzien te verwerven.

Goed beschouwd gaat het om een bedrijfstak die op amorele wijze slechts één principe huldigt: meer potentieel dodelijke waar aan de consument verkopen. Is dit nog als een fatsoenlijke maatschappelijke activiteit te beschouwen of hoort deze handelwijze thuis in de grauwe zône tussen fatsoenlijk en crimineel? Als dat laatste het geval is, is het dan correct om deze bedrijven de schijn van fatsoen te bieden door hen mee te laten doen met de sponsoring van allerlei maatschappelijk zeer gewaardeerde manifestaties?

Meestal begint roken in de jeugd. Daarom moet de overheid maatregelen nemen om te voorkomen dat deze bijzondere groep te sterk wordt beïnvloed door de tabaksindustrie. Er dient een verbod te komen op tabaksreclame in periodieken die een relatief groot aantal jongeren onder hun lezerspubliek hebben. Het zelfde geldt voor tabaksreclame in welke vorm dan ook bij grootscheepse evenementen waar de jeugd sterk is vertegenwoordigd, zoals voetbalwedstrijden en popconcerten. Allerlei manifestaties van sportieve en andere aard mogen niet langer worden gesponsord door de tabaksindustrie die zichzelf hiermee een fatsoenlijk imago probeert te verschaffen.

Ten slotte moet de accijns op sigaretten drastisch worden verhoogd. Aangetoond is dat een verhoging van de accijns met tien procent tot een vermindering van de sigarettenverkoop van vier procent leidt. Deze maatregel zou in het bijzonder moeten dienen om de financieel minder draagkrachtige jeugdigen ervan te weerhouden met roken te beginnen en de nog niet verslaafde beginnende rokers te ontmoedigen. De huidige waarschuwing op de pakjes sigaretten is onvolledig en onvoldoende duidelijk. Er hoort te staan: roken kan leiden tot verslaving en tot een ontijdige dood. Daar gaat het namelijk om.