Amsterdam; Nederland heeft probleembuurten, nog geen echte getto's

AMSTERDAM, 4 SEPT. “In Nederland kennen we donkere vlekken op de stadskaarten, buurten waar veel problemen lijken samen te klonteren, we kennen achterstandswijken, probleembuurten, maar echte getto's hebben we hier niet.” Na een klein halfjaar onderzoek naar gettovorming in opdracht van de BCOP, een onderdeel van het ministerie van WVC, zijn drs. R. Noyon en drs. J. Mevissen zeer stellig in hun conclusie: “In de grote steden in Nederland is op dit moment geen sprake van gettovorming”. Maar, zo voegen ze er aan toe, een aantal buurten zit wel in de gevarenzone.

Mevissen: “Om van een getto te kunnen spreken moet er in een bepaald gebied een opeenhoping zijn van negatieve factoren als slechte huisvesting, werkloosheid, een matige gezondheidstoestand en armoede. Bovendien moet die cumulatie zodanig zijn dat die zichzelf ook nog eens versterkt. Bijvoorbeeld doordat steeds meer mensen wegtrekken en er alleen nog een soort onderlaag overblijft.”

De onderzoekers erkennen dat in Nederlandse buurten soms ook grote problemen zijn, maar het komt hier volgens hen zelden of nooit voor dat alle negatieve factoren zich samen in één wijk concentreren. Zeker in vergelijking met het buitenland is vrijwel overal nog een redelijk voorzieningenapparaat aanwezig, en datzelfde geldt voor de woningkwaliteit.

Wel dreigt in sommige wijken het begin van een neerwaartse spiraal te ontstaan die uiteindelijk tot gettovorming zou kunnen leiden. De aanleiding betreft vaak problemen die te "klein' zijn voor het bestuur, maar toch onoverkomelijk voor de individuele burger: oude sociale verbanden worden verbroken zonder dat er iets voor in de plaats komt, er ontstaat een gevoel van onveiligheid in de straten doordat steeds meer winkels verdwijnen, men wordt geconfronteerd met lawaai, vandalisme, vervuiling. Noyon: “Interessant is dat er in dat soort wijken op een gegeven moment een bepaalde kritische grens overschreven wordt. Kleine veranderingen worden op elkaar gestapeld en op een gegeven moment valt de hele toren om.”

Beide onderzoekers beklemtonen dat Nederlandse gemeentebesturen over het algemeen zeer alert zijn op dit soort verschijnselen, maar dat is ook nodig. Noyon: “Je moet er heel vroeg bij zijn, want als de mensen eenmaal beginnen weg te trekken is het te laat.” Vaak bestaat bij beleidsmakers de neiging om de nadruk te leggen op de echte probleembuurten. De onderzoekers pleiten er echter voor om vooral ook te letten op de wijken in overgangssituaties. “Met weinig middelen kun je daar vaak nog heel wat bijsturen, als je er maar op tijd bij bent.”

Mevissen: “Tot nu toe is het in Nederland nooit tot gettovorming gekomen, ook vanwege alle voorzieningen die we hier de laatste jaren hadden. Zo'n systeem van huursubsidie bijvoorbeeld, waardoor de laagste inkomensgroepen niet aangewezen waren op slechts enkele buurten, heeft vermoedelijk onbedoeld gefungeerd als een perfecte anti-getto-maatregel. Datzelfde geldt voor de stadsvernieuwing. Nu dit soort buffers wegvallen wordt de kans aanzienlijk groter dat hier en daar een negatieve spiraal in gang komt.”