Amsterdam ; "Een volkomen afgeschreven uithoek van de stad'

De Indische buurt in Amsterdam werd twee jaar geleden gekwalificeerd als een "rampenbuurt', een "volkomen afgeschreven uithoek van de stad'. Hoger opgeleiden zijn er weggetrokken, een derde van de bevolking is werkloos. “De Indische Buurt is geen achterbuurt, maar we moeten er wel voor waken dat het dat niet wordt.”

AMSTERDAM, 4 SEPT. Als op de zomeravond de schemer valt zitten de twee mannen soms nog een uurtje op de bank op het Javaplein. Mijnheer Huigen is 96, mijnheer Ros is 78. Beiden wonen al sinds de jaren twintig in de Indische Buurt. De een was bakker, de andere handelde in sportartikelen.

“Op zo'n avond als deze zat vroeger iedereen buiten.”

“Er reden karren met fruit en zuur, en zelfs een kar met alleen een weegschaal.”

“Je had de hardloper, een man in een pak met bellen, die bleef altijd lopen.”

“En druk, mijnheer, als je als jongen verkering zocht hoefde je alleen maar de Javastraat op en neer te lopen, en je had al een griet.”

Het laatste licht kaatst op het dak van de oude Gerardus Majellakerk, de steile bruin-rode gevels en de ronde, roodgeverfde balkonleuningen van de nieuwbouw. Onder de jonge bomen van het Ambonplein stopt een oranje-gele auto, een man stapt even uit. Van alle kanten komen katten aanlopen. Hij voert ze, sommigen vangt hij zelfs op in zijn huis uit een soort idealisme: “Waar moeten al die oude mensen anders met hun beesten heen, als ze naar het verzorgingshuis moeten?”

Op de stoep van de kerk spelen drie Marokkaanse meisjes een ingewikkeld spel met onzichtbare voorwerpen en onverstaanbare woorden. Binnen, in grote kamers van de pastorie, staan de stoelen en tafels nog alsof het gisteren was, de tijd waarin mijnheer pastoor nog over elfduizend zielen, een aantal RK-scholen, een RK-speeltuinvereniging en een RK-drumband regeerde.

Aan de wand hangt nog de grote architectenplaat van de Gerardus Majella zoals men die in de jaren twintig wilde bouwen: een gigantisch gebouwencomplex met een kerk, een - overgens nooit voltooide - hemelhoge toren, een pastorie, een klooster en een aantal scholen, en dat alles gebouwd als een burcht voor de eeuwigheid. Op het plein zijn de buurtbewoners geschetst die men toen voor ogen had: dames met hoeden, een enkel kind met een hoepel, bedaarde middenstanders en beambten. Nu is het complex opgedeeld, stukken zijn verhuurd aan een sauna, een milieuwinkel, een vrouwengezondsheidscentrum, aan het buurtcentrum Het Karrewie en aan een Islamistisch vormingscentrum. De enorme kerk zelf, waar per week nog zo'n honderd gelovigen bijeenkomen, zal vermoedelijk binnenkort gesloopt worden. Even verderop staan een Turkse en een Marokkaanse moskee, bloeiende gemeenschappen met elk duizend tot vijftienhonderd bezoekers per week.

Pastoor Joop Stam heeft de storm in een paar jaar tijd zien langstrekken: “In een paar jaar tijd is ongeveer alles veranderd, waarbij één constante factor aanwezig was: de toenemende vereenzaming. Los van alle cijfers is dat misschien wel het grootste probleem in deze buurt.” Vanuit de pastorie wordt tegenwoordig een zogenoemde Kettingtelefoon georganiseerd: ouderen die elkaar iedere dag op een vast moment opbellen. “Als iemand valt, of er is iets anders, dan ligt-ie nooit langer dan 24 uur alleen”, zegt Joop Stam.

“Een rampenbuurt”, zo kwalificeerde de Amsterdamse hoogleraar sociale geografie Van Engelsdorp Gastelaars in 1989 de Indische Buurt. “Een volkomen afgeschreven uithoek van de stad. Hoewel het een volledig gesaneerde buurt is met alom gerenoveerde woningen is het per saldo een min milieu met de laagste attractiewaarde en de hoogste concentratie aan problemen.”

Dat het inderdaad in de Indische Buurt hard is gegaan maakt één blik in de statistieken duidelijk. Rond 1970 woonde het soort bewoners van de architectenplaat van de Gerardus Majella nog overal in de buurt, zij het dat hun - vaak grote - gezinnen uitgevlogen waren. Twintig jaar later blijkt een sterke ontgrijzing te hebben plaatsgevonden doordat met name de vijftigers en zestigers de buurt (en vaak de stad) hebben verlaten en daarvoor zijn jongeren in de plaats gekomen die met z'n tweeën wonen, of alleen. Met name rond de stadsvernieuwing hebben, net als in soortgelijke buurten, enorme verhuisbewegingen plaatsgevonden, zo valt achteraf uit de bevolkingscijfers af te lezen. Het percentage buitenlanders in de wijk - in 1970 waren ze nog nagenoeg afwezig - is in 1990 opgelopen tot 44 procent, een aantal dat elk jaar nog met zo'n 10 procent toeneemt door gezinshereniging en, uiteraard, nieuwe kinderen. Van de zeven basisscholen die overgebleven zijn, worden vijf bijna volledige bevolkt door allochtone kinderen en bij de andere twee is de verhouding ongeveer half om half. Veel hoger opgeleiden zijn weggetrokken uit de buurt en dat geeft in toenemende mate problemen, of het nu gaat om het penningmeesterschap voor het parochiebestuur of om leden voor de deelraad van de buurt, Zeeburg. Pastoor Stam: “Ze kunnen wel allemaal mooie plannen bedenken, maar je hebt ook nog mensen nodig die er hun schouders onder kunnen zetten.”

De crisis uit de eerste helft van de jaren tachtig lijkt er, zo blijkt uit de cijfers, sterker te hebben toegeslagen en het herstel lijkt er trager te verlopen. Terwijl tien jaar geleden de werkloosheid in de buurt nog niet opvallend hoog was, hoort deze nu bij de top van Amsterdam: ongeveer een derde van de bewoners heeft geen werk.

Pastoor Joop Stam merkt dit aan het soort problemen dat de mensen tegenwoordig bij hem in de consistoriekamer op tafel leggen. Geldproblemen met name. Met de uitkeringen die een aanzienlijk deel van de buurtbevolking ontvangt valt volgens hem uitstekend rond te komen, zolang er niets gebeurt. Alleen: er gebeurt altijd wat. Iemand wordt ziek, de kachel gaat kapot, een of twee keer kan men de huur niet betalen en de problemen lopen al uit de hand. Joop Stam: “Je ziet het verschil zo, mensen die snel hun hand ophouden, mensen die liever hun tong afbijten dan hier te komen en mensen die ten einde raad zijn en zich kapot schamen. Dat laatste, dat pijnlijkste, heb ik deze jaren steeds vaker meegemaakt.”

Mahatma Gandhi's antwoord op de vraag wie de zwaksten van de samenleving zijn geldt in veel opzichten ook voor de bevolking van Amsterdamse Indische Buurt: het zijn the least, the last, the lost en the latest. Toch waakt iedereen er voor om het woord "getto' in de mond te nemen. Er wonen weliswaar meer werklozen en mensen met een uitkering in de buurt, maar de verschillen zijn (nog) te klein om te spreken van een getto. Er wonen wel veel mensen uit verschillende landen, maar Londense of New Yorkse taferelen zijn er niet - mede dankzij het redelijk goede voorzieningenpeil en de net voltooide stadsvernieuwing. Of, zoals de sociale onderzoekers Gerard Andriesen en Arnold Reijndorp in een recente studie over de buurt schreven: “De Indische Buurt is een "buurt van minderheden' geworden, waarbij niet één groep dominant is en in staat is het beeld van de buurt in sociaal opzicht te bepalen.” Volgens hen wordt het idee van "rampgebied' dan ook niet door de cijfers bevestigd: vooral in de nieuwbouwcomplexen is sprake van een relatief stabiele bevolking, de huurachterstanden zijn niet hoger dan elders, de uitgaven aan onderhoud evenmin. Wat wel aanleiding tot zorgen geeft zijn de verkiezingsuitslagen: nauwelijks 40 procent van de bewoners gaat nog naar de stembus, waarvan dan nog eens een relatief hoog percentage op de Centrumpartij en de Centrumdemocraten stemt. Integratie van de verschillende bevolkingsgroepen vindt vrijwel niet plaats. Pastoor Stam en de zijnen proberen met name met de Turkse moskee een aantal samenwerkingsverbanden op te zetten, maar dat blijft een uitzondering. “Je heb Nederlandse Indische Buurters, Turkse Indische Buurters, Marokkaanse Indische Buurters, Ghanese Indische Buurters”, zei de voorpostambtenaar Jan Beerenhout ooit in een klacht over het mislukte minderhedenbeleid. De diverse minderheden wonen weliswaar door elkaar heen, in de aantrekkelijk gelegen panden wonen echter relatief meer Nederlanders.

De fraaie nieuwbouw aan het Surinameplantsoen wordt bijvoorbeeld voor 95 procent door Nederlanders bewoond, terwijl de oude Minahassastraat, waar tramlijn 3 piepend en krakend haar eindlus maakt, nog slechts twee van de vijf woningen door Nederlanders bewoond worden.

Sommigen zijn bang dat dat scheidingsproces zich binnenkort op grote schaal gaat voltrekken, nu vlak achter de Indische Buurt, in het kader van het IJ-oever project, in het Oostelijk Havengebied prachtige nieuwbouw verrijst. Deelraadwethouder Willem Mendels is zich bewust van de destabiliserende werking die het IJ-oever-project in de toekomst op wijken als de Indische Buurt kan hebben. “Maar”, zegt hij, “wat kan ik doen tegen die autonome planningsmachinerie? Neem de plannen voor het winkelgebied daar. Op zich zijn ze uitstekend, alleen richten ze zich alleen maar op die nieuw te bouwen buurt. Men houdt totaal geen rekening met het winkelbestand aan de Javastraat, dat daar vlak achter ligt. Nu al dreigt de ene winkel na de andere vervangen te worden door een coffeeshop. De Indische Buurt is geen achterbuurt, maar we moeten er wel voor waken dat het dat niet wordt.”

De Indische Buurt is geen getto, maar het is wel een buurt die op de wip zit. In het avondzonnetje op het Javaplein waag ik me voorzichtig aan een totaal onrepresentatieve steekproef van twee bejaarden en de score is honderd procent. Ze zijn allebei de afgelopen twee jaar fors te pakken genomen in de buurt die hun buurt niet meer is: de vrouw van mijnheer Huigen (ook 96) kreeg op een avond de loop van een pistool op zich gericht toen ze naar haar naaikransje liep en bij mijnheer Ros is de laatste jaren twee keer ingebroken, en twee keer is hij 's avonds op straat overvallen - de laatste keer via de truc van een meisje dat hem om geld vroeg, in de Solostraat.

“Ik vertel u dit: het gevaarlijkste is zo'n meid, die op je afkomt. Plat op de grond. M'n trouwring en 160 gulden. Ik zal het nooit vergeten. Ik wilde wel verhuizen, maar op mijn leeftijd verkas je niet zo gauw meer, mijnheer.” “Ik beklaag de jeugd die hier over tien jaar moet leven.” “Maar daar hebben wij geen zorgen meer om.” “Nee, daar hebben wij geen zorgen meer om.”