Sovjet-Unie opent doos van Pandora

Wat Vladimir Iljitsj Lenin, althans in theorie in 1922 voor ogen stond bij de stichting van de Sovjet-Unie lijkt zeventig jaar na dato werkelijkheid te worden: de Sovjet-Unie wordt een gemeenschap van staten die op vrijwillige basis toetreden, zelf hun mate van integratie mogen bepalen, in eigen land eigen baas zijn en op vrijwillige basis ook weer mogen uittreden.

Dat eerst de standbeelden van Lenin van hun sokkels moesten worden getild voor het na zeventig jaar eindelijk zover is en dat de huidige staatshervorming te danken is aan de greep naar de macht van de krachten van het verleden, vorige maand, zijn twee ironische trekjes waar de geschiedenis zo rijk aan is.

De vorming van een nieuwe Unie is een bevrijding. Het is een bevrijding van de loodzware erfenis van Stalin, de man die al in de jaren twintig begon Lenins concept te vervalsen door republieken - zijn eigen Georgië voorop - met geweld, list en bedrog binnen de Unie te halen en die nadien de formeel federatieve structuren van de Unie in de praktijk heeft getransformeerd in een dictatuur waarin het centrum alles dicteerde. Stalins federatie was een staat waarin niet alleen de burgers maar ook de republieken slaven van dat oppermachtige centrum waren: de Vader der Volkeren was in werkelijkheid de Nero van die volkeren.

Het herstel van zeventig jaar van onrecht en leugens brengt behalve het welkome element van nationale zelfbeschikking voornamelijk onzekerheid en veel vraagtekens. Op papier zien de plannen van Gorbatsjov en de republiekspresidenten er goed uit: de nieuwe Unie is een ei van Columbus. Politiek worden de republieken onafhankelijk. Tegelijkertijd wordt hun onderling nauw verweven economie niet ontvlochten, hoewel dat een logische consequentie van de onafhankelijkheid zou zijn..

Maar de praktijk zal minder vriendelijk zijn. Vijftien republieken gaan elk hun eigen kant op. Welke kant is hun eigen zaak: sommige zullen democratiën worden, andere zullen blijven steken in het socialistische verleden, weer andere zullen de Unie de rug toekeren of zich, zoals Moldavië, bij een buurland aansluiten. Het nieuwe Sovjet-huis met zijn vijftien kamers wordt een pension met arme en rijke kostgangers die de tussendeuren in de toekomst wellicht liever dicht- dan openzetten en die liever naar de overkant van de snelweg kijken, naar Europa of (in het geval van Kazachstan en zijn buren) naar Azië dan naar elkaar, maar die niettemin ook op de zeer lange termijn op elkaar zijn aangewezen.

Daar komt bij dat het Unieverdrag, zoals dat straks op tafel ligt, niets zegt over de vraag hoe die vijftien kostgangers hun eigen kamer inrichten. Rusland, de republiek van Boris Jeltsin, telt zestien autonome republieken en vijf autonome regio's, waarvan de meeste ook zodanig door de koorts van de onafhankelijkheid zijn aangestoken dat Boris Jeltsin al aan een eigen Unieverdrag moet gaan denken. In Tatarstan is die koorts zo hoog dat de president van die autonome republiek twee weken geleden zelfs tegen Jeltsin en Gorbatsjov en voor de coup koos, niet uit verlangen naar socialistische orde, maar uit verlangen naar onafhankelijkheid.

Wat voor Rusland geldt, geldt ook voor de andere republieken: veel daarvan hebben hun eigen autonome republieken van minderheden op hun grondgebied en waar ze die niet hebben, roepen die minderheden (zie de nieuwe "Onafhankelijke republiek Nagorno Karabach', de "Dnjestr-republiek' en de "republiek Gagaoezië') die zelf uit. Wat gebeurt er met de Osseten in Georgië? Met de Krim-Tataren? Met de honderden andere minderheden? Wat gebeurt er met de grenzen in een Unie waarin maar drie van de 23 inter-republikeinse grenzen niet worden betwist en waar meer dan zeventig inter-republikeinse territoriale geschillen bestaan?

Het Unieverdrag elimineert onrecht. Het is een onmisbare stap op weg naar de eliminering van decennia van stalinisme. Maar het opent ook een doos van Pandora, met alle mogelijkheden van nieuw onrecht, nieuwe conflicten en nieuwe problemen vandien.