Singapore: oppositie is lastig

Wanneer een partij bij democratische verkiezingen voor een nieuw parlement, eenenzestig procent van het electoraat achter zich krijgt, zou dat in de meeste landen reden zijn voor een groot partijfeest. Zo niet in Singapore, waar drievijfde van de inwoners het afgelopen weekeinde stemde op de regerende Actiepartij van het Volk (PAP), die daarmee, dank zij het districtenstelsel, 77 van de 81 zetels kreeg. PAP-premier Goh Chok Tong treurt meer om het verlies van vier zetels dan om de winst van zijn partij. Oppositie is een begrip waar de regering van de kleine Zuidoostaziatische staat maar moeilijk aan kan wennen.

Sinds de onafhankelijkheid van Singapore, in 1965, en ook al de zes jaar daaraan voorafgaande, heeft de PAP altijd de absolute meerderheid gehad en was Lee Kuan Yew, tot november 1990, onafgebroken premier. Lee's programma was gebouwd op een streven naar krachtige economische groei volgens marktprincipes, de opbouw van een sociaal-democratische welvaartsstaat en een sterke anti-communistische stellingname. Onder Lee's leiding groeide Singapore uit tot een rijk land, waar na Japan en het sultanaat Brunei het hoogste inkomen van het Verre Oosten wordt genoten.

Lee Kuan Yew eiste als tegenprestatie wel confucianistische gehoorzaamheid - 75 procent van de 2,6 miljoen Singaporezen is Chinees, onder wie Lee - van zijn onderdanen. Vanaf 1971 hadden de burgers van Singapore een keer in de vier jaar het recht hun volksvertegenwoordigers te kiezen, ook van andere partijen, in de tussentijd lag een vrijwel absolute beslissingsbevoegdheid bij de premier.

Radio en televisie zijn in handen van de staat, dagbladen staan onder censuur. De samenleving is onderworpen aan strenge gedragscodes; op overtreding daarvan, zoals het weggooien van afval of het niet doorspoelen van een openbaar toilet staan hoge boetes en zelfs celstraffen.

Singapore is om zijn behandeling van andersdenkenden door Amnesty International herhaaldelijk beschuldigd van schendingen van de mensenrechten. In 1976 trad de PAP na soortgelijke aantijgingen uit de Socialistische Internationale.

De Singaporezen hebben niettemin altijd de mogelijkheid gehad tegen de regering te stemmen, maar een overgrote meerderheid deed dat nooit. Pas in 1984 slaagden twee leden van oppositiepartijen erin verkozen te worden, vier jaar later halveerde het zetelaantal van de oppositie weer.

Lee Kuan Yew besloot in november 1990 zijn ambt over te dragen aan zijn vertrouweling Goh Chok Tong, die de Singaporezen meer burgerlijke vrijheden in het vooruitzicht stelde. Goh, die in de PAP de ogen van Lee Kuan Yew als machtigste man nog steeds in zijn rug voelt, beoogde daarmee niet versterking van de oppositie.

Integendeel, het feit dat de PAP zaterdag het laagste stemmenpercentage sinds 1965 heeft behaald en twee oppositiepartijen een historisch aantal van vier zetels veroverden (de Democratische Partij drie en de Arbeiderspartij een), is voor Goh ogenblikkelijk aanleiding geweest vraagtekens te zetten bij zijn eigen beleid.

“Ik dacht dat ik bij de mensen juist vertrouwen zou inboezemen met mijn open, raadplegende manier van regeren”, zo reageerde de premier, die vandaag dreigde de vier districten waar voor de oppositie is gekozen te zullen "straffen'. Niet-PAP-stemmers zouden daar voortaan niet langer gebruik mogen maken van openbare voorzieningen.

Singapore is groot geworden dank zij de voortvarende politiek van Lee Kuan Yew. Zijn autoritaire regeerstijl hebben de burgers, getuige de verkiezingsuitslagen, steeds op de koop toe genomen. Wat de PAP zou moeten accepteren is dat politieke vrijheid ook een goed is, een kwestie van vraag en aanbod. De vraag van de Singaporezen is er. Het aanbod: meer ruimte voor de oppositie als noodzakelijk, controlerend onderdeel van een democratisch systeem, moet van de regering komen. Die gedachte is voor de oppermachtige PAP-bestuurders van Singapore nog nauwelijks te verteren. Lee Kuan Yew en zijn gevolg bouwden in een kwart eeuw een welvarende consensusmaatschappij op en daar mag niemand aankomen.