Romantiek

De romanticus discussieert met de rationalist. Over de wonderen der schepping. In het kleinste detail ziet de romanticus een onverklaarbare schoonheid en een zinvolle ordening. De rationalist wijst hem er op dat hij in werkelijkheid slechts functionaliteit ziet en fluctuaties van het toeval. Over de mysterieuze krachten in de sport.

De honkballer, aan slag, heeft van die dagen dat hem alles lukt. De ene schitterende slag na de andere. De romantische sportliefhebber kent het verschijnsel, hij zegt dat de honkballer "hete handen' heeft op die dagen. Op andere dagen wil niets lukken. Koude handen. Trainers en psychologen herkennen de symptomen, maar waar het precies aan ligt, dat kunnen ze niet verklaren. De rationalist rekent uit dat er ook niets te verklaren valt. De verschillen liggen binnen de marges die te verwachten zouden zijn als succes of falen van de slagman door het toeval werd bepaald. Het wordt ook door het toeval bepaald. Wie over hete en koude handen spreekt is even onnozel als de gokker die een zinvol patroon in de uitkomsten van de roulette zoekt.

Over het verdwijnen van de natuurgebieden in Afrika. De romanticus betreurt de verdwijning van een deel van de menselijke ziel. Van het primitieve gevoel van verwondering en deemoed dat alleen mogelijk is in een gebied waar de natuur er niet voor de mens is, maar voor zichzelf. De rationalist lacht hem uit om zijn paternalistische idealisering van de nobele wilde en legt uit dat natuurbescherming alleen mogelijk is uit welbegrepen menselijk eigenbelang.

De romanticus in deze drie gesprekjes kan steeds een ander zijn, maar de rationalist is iedere keer dezelfde. Het is de Amerikaanse paleontoloog- bioloog Stephen Jay Gould. Hij heeft een aantal boeken geschreven waarin de evolutietheorie voor de leek verklaard wordt. Bijzonder aardig en leerzaam. Ik kan ze iedereen van harte aanbevelen.

Dick Hillenius schreef eens dat alle bezwaren die Karel van het Reve tegen de evolutieleer had, al door Gould weerlegd waren. Is dat waar? Voor wie bereid is om zich te laten overtuigen, zou ik zeggen. Tenslotte komen de argumenten van de evolutionisten altijd op het volgende neer: “Onze verklaringen laten misschien een paar vragen open, maar heeft u een betere? Kom er mee voor de dag en we zullen hem weerleggen, zoals we de afgelopen eeuw alle alternatieve verklaringen overtuigend hebben weerlegd.” Geen tegenstander heeft die betere verklaring, hij heeft alleen het idee dat er iets niet klopt.

Zo ook met die honkballer. Ik heb een paar jaar geleden ook al eens over hem geschreven, maar hij blijft me dwarszitten. Gould besprak toen een boek van twee Amerikaanse natuurkundigen. Ze hadden alle resultaten van de Amerikaanse baseballcompetitie van vele jaren aan een statistische analyse onderworpen. Hoe zat het nu met de hete en koude handen en de fabuleuze "winning streaks' van de slagman? Ze bestonden niet. De afwijkingen van zijn gemiddelde score, naar boven en naar beneden, waren precies even groot als die van een munt die een groot aantal keren wordt opgegooid.

Natuurlijk had de slagman goede en slechte dagen. Zoals een roulettetafel rode en zwarte dagen heeft. Dat kan aan het eind van de dag worden vastgesteld, maar op geen enkel moment heeft het enige voorspellende waarde. Alleen een wiskundige analfabeet zou op grond daarvan een boek schrijven over mysterieuze krachten aan de roulettetafel.

Een ontluisterende analyse. Iedere vorm van lyrische sportverslaggeving wordt absurd. Wie wil er nog lezen over heldendom en vastberadenheid, als hij weet dat het uiteindelijk resultaat door het toeval bepaald wordt? Op het eerste gezicht is de analyse ook volstrekt in strijd met een gevoel van evidentie dat de sportman heeft. Die mysterieuze krachten in de sport, de hete en de koude handen of hoe je het in andere sporten ook noemen mag, die bestaan en ze kunnen niet weggeredeneerd worden. Ik ben ook niet geneigd een gevoel van evidentie op te offeren aan een statistische analyse, maar ik zou de twee met elkaar in overeenstemming willen brengen. Dat kan ook wel en u moet er rekening mee houden dat u nog eens een derde keer met die honkballer zal worden lastig gevallen.

Nu wil ik het hebben over een recent artikel dat me de honkballer weer in gedachten bracht. Het was een bespreking door Gould in de New York Times Book Review van een boek van de lyrische reisschrijver Peter Matthiessen, African Silences. Matthiessen betreurt de verdwijning van de wildernis en van de dieren. Gould ook, maar hoewel hij veel vriendelijke woorden voor de schrijver heeft, vindt hij toch dat die af en toe in de valkuilen is getrapt die altijd voor de romanticus klaarstaan. Idealisering van de nobele wilde en onbegrip en minachting voor de wetenschap.

Smacht de menselijke ziel naar een landschap waarin niet hij, maar de natuur de meester is? Met dit soort romantische praatjes kan je volgens Gould niet bij de jonge en arme Afrikaanse staten aankomen. Daar kan hij gelijk in hebben, maar het rationele alternatief waar hij mee komt is mager. Hij pleit voor een humanistisch milieubeleid. Natuurbehoud is alleen mogelijk als er op de lange termijn duidelijke economische en praktische voordelen voor de mens aan verbonden zijn. Het is makkelijk om de romanticus uit te lachen vanwege zijn geringe effectiviteit.

Twijfelachtig is het of een humanistisch milieubeleid meer uit kan richten. Kan de wildernis gered worden met een beroep op het praktisch belang? Vast niet. Toch lijkt het me dat Gould dat eigenlijk wil, maar dat hij zich schaamt voor de romantische argumenten die hij in de mond zou moeten nemen. Nu komt zijn standpunt er op neer dat het behoud van de wildernis alleen rationeel te rechtvaardigen is als er een park van gemaakt kan worden.

De romanticus wordt vaak gezien als iemand die zichzelf voor de gek houdt. Hij zegt wat hij graag wil horen en brengt zich daardoor in een gelukzalige roes, maar als hij een beetje nadacht zou hij wel anders praten. De rationalist Stephen Jay Gould maakt het zich minder makkelijk. Hij is verrukt van de schoonheid van de natuur en van de heroïek van de sport, maar bij nadere beschouwing moet hij inzien dat hier slechts het toeval heerst. Hij zou de wildernis willen bewaren, maar hij beseft dat alleen een park rationeel te verdedigen valt.

Maar wie houdt zichzelf hier voor de gek? Het lijkt me dat de romanticus in deze discussies de waarheid spreekt, die door de rationalist met spitsvondigheden ontkend moet worden, omdat hij zich anders voor zichzelf zou schamen.