Retoriek baat niet De Tweede Ronde, zomer 1991. ...

Retoriek baat niet De Tweede Ronde, zomer 1991. Uitg. Bert Bakker, 176 blz. ƒ 12,50 Ballingschap Le Serpent à Plumes 11. 49 blz. 65FF. 78, Rue du Bac, 75007 Paris. Jongetjes van OuLiPo Raster 54, WeMoLi. De Bezige Bij, 180 blz. ƒ 24.40.

Retoriek baat niet

Het gebeurt niet zo vaak dat een literair tijdschrift wereldnieuws bevat. De Tweede Ronde overkwam het laatst: door de landelijke dagbladen werd deze zomer gemeld dat dit tijdschrift een nog onbekend, scabreus gedicht van Poesjkin had weten te vinden. Of het nu om het onbekende, het scabreuze of om Poesjkin ging is nog even de vraag, maar in elk geval stonden er versregels op allerlei voorpagina's.

Het vers, gerangschikt in de categorie light verse, werd in Rusland ontdekt door de vertaler, Govert Poederooien, een pseudoniem van Sander Brouwer. Het gaat om een ballade, door Poesjkin geschreven in zijn lyceum-jaren, waarin een geile oude pope in een nonnenklooster belandt. Volgens slavist Willem Weststeijn schreef Poesjkin vaker dit soort verzen en hij acht het, gezien de stijl en de datering (¢4 1816) plausibel dat de trouvaille van Brouwer echt is.

Er staat wel meer bijzonders in dit zomernummer van De Tweede Ronde, zoals een optreden van dichteres Vasalis, als vertaalster van James Brockway: “Wanneer ik dood zal zijn verandert niets. (-) want mensens sterven, maar gewoontes leven voort.” Van hetzelfde gedicht, "The Way It Is', werd ook een wat prangender vertaling van Peter Verstegen afgedrukt.

Niemand zal niets van zijn gading kunnen vinden in dit themaloze nummer. Er zijn weemoedige jongensgedichten van Sandro Penna, sonnetten van Petrarca (“troosteloze smart doet mij verlangen- om met mijn leed alleen te zijn op aard”), werk van de Griekse Nobelprijsdichter Vorgos Seferis (1900- 1971) in een vertaling van Warren en Molengraaf, een modernistische "Ballade van Reading Gaol' door Vladimir Majakovski, drie vertalingen van Robert Brownings "My Last Duchess' plus een essay erover, een ballade op de moderne stedebouw van Catharina Blaauwendraad - “Prins Charles, gij hebt mijn grieven uitgesproken.- Toch baat hier geen royale retoriek.- Men zal ons steeds met lelijkheid bestoken:- De wansmaak wint het van de esthetiek.”

En dan staat er ook nog proza in De Tweede Ronde. Job Creyghton opent met een huiveringwekkend verhaal over een klein meisje en iets levends in een hoge ton met slagersafval. Yolanda Bloemen en Marja Wiebes vertaalden twee korte teksten van Nabokov, wiens roman Pale Fire (“ongeëvenaard mooi, spannend en geestig, maar ook een extreem gecompliceerd werk”) elders in het nummer geanalyseerd wordt door Gerard de Vries als een "allegorische autobiografie'. Van de Canadees Guy Vanderhaeghe is er een ruwebolster-verhaal dat aangrijpend eindigt. De ellende met helden.

De Tweede Ronde, zomer 1991. Uitg. Bert Bakker, 176 blz. ƒ 12,50

Ballingschap

Bij wijze van hommage aan de overleden zwarte auteur James Baldwin noemde Le Serpent à Plumes zijn elfde nummer "Un autre pays'. Another Country schreef Baldwin in 1961, toen hij in New York teruggekeerd was na een eerste jarenlange vrijwillige ballingschap in Parijs. Volgens Le Serpent à Plumes spint de literatuur zijde bij ballingschappen, vrijwillige dan wel gedwongen: eenzaamheid, cultuurschok en ontworteldheid vormen een goede voedingsbodem.

Negen auteurs houden Baldwin in dit tijdschrift gezelschap, Muriel Spark (Engeland, Afrika, Italië), Juan Carlos Onettio (Uruguay, Spanje), Salman Rushdie, Theodor Kallifatides (Griekenland, Zweden), Carlo Coccioli (Italië, Afrika, Frankrijk, Mexico), Emmanuel Moses (Marokko, Israël, Frankrijk), Patrick Boman (Zweden, India, China, Frankrijk), Michael Ondaatje (Sri Lanka, Canada), en de Russische ambassadeurszoon Victor Erofeev die wij kennen als de Jerofejev van Een schoonheid uit Moskou.

Le Serpent à Plumes is weer eens iets heel anders. Het driemaandelijkse blad (30x21 cm) bestaat uit een losse voor- en achterkant met daarop resp. een gouache en een grote foto, en de afzonderlijke bijdragen zijn in een fijne letter zorgzaam gedrukt op doorgenummerde maar losse katernachtige gehelen. Dit alles op stevig, fraai zachtcrème papier.

Twee bijdragen (Rushdie, Ondaatje) dateren van 10 jaar geleden, die van Baldwin van 30 jaar terug. Baldwin beschrijft de reden van zijn vertrek naar Parijs (de zelfmoord van een vertrouwde vriend) en de idyllische periode door kort na de oorlog, onder Amerikanen.

De meest intrigerende figuur lijkt de eigenwijze Carlo Coccioli, een katholieke (très à sa façon) Italiaan met een onrustige levensloop die aan het Vaticaan vroeg wat bij een homosexuele katholiek nu moet prevaleren (“on n'a pas encore r'epondu”). Hij schreef, in de derde persoon, een autobiografie van een zelfmoordenaar. Leeft en schrijft hij nog? “C'est cela le suicide litt'eraire: ne pas vivre en Europe.” Woont hij nu, zo ja, in Florence, Texas of Mexico?

Le Serpent à Plumes 11. 49 blz. 65FF. 78, Rue du Bac, 75007 Paris.

Jongetjes van OuLiPo

OuLiPo, dat is WeMoLi. Ouvroir de Litt'erature Potentielle, een Werkplaats voor Mogelijke Literatuur. Raster wijdt een hele aflevering aan deze groep Franse schrijvers die in de jaren zestig spelletjes speelden met woorden en wiskundige formules.

E. van der Starre leidt het nummer in met een glasheldere uiteenzetting over de voornaamste leden van het genootschap en hun principes. Een gretig beoefend spel is het systematisch vervormen van bekende, ingesleten versvormen. Op zijn mooist ontstaat dat een hoofdzakelijk verrassende literaire variant, in veel gevallen heeft het een wat Van der Starre noemt "stoute-jongetjes-effect'.

“A la ligne, le chagrin créa le complément, mais le complément était informe et vide, ...” Herkent u het? Dit is de Genesis, bewerkt met de S+7-methode.

Battus zou, met zijn Opperlandse taal- en letterkunde een groot "Oulipien' hebben kunnen zijn, maar over hem gaat het in Raster niet. De meeste aandacht gaat, vanzelfsprekend, naar deelnemer en voorloper Raymond Queneau (Cent milliards de poèmes, Excercises de style) en oprichter Georges Perec.

OuLiPo had geen boodschap, wilde niets met "de' werkelijkheid te maken hebben en evenmin gevoelens tot uitdrukking brengen. Welke literaire functie blijft dan over: vertoon van vaardigheden, maar dat dan wel met plezier. Met zijn "pretentieloze ironie' drukte OuLiPo zichzelf volgens Van der Starre in een toch marginale positie.

Van Georges Perec verscheen vorige week zijn autobiografie W ou le souvenir d'enfance (1975) in vertaling bij De Arbeiderspers. Pit Mus vertaalde een stukje uit zijn roman La Disparition (1969) waarin Perec 312 bladzijden lang geen enkele e gebruikte. J.F. Vogelaar vertaalde een recente tekst van Philipp Lejeune over Perec als autobiograaf, zijn systeem van herinneren. Een goed idee van zijn manier van werken geeft een brief van Perec uit 1969 aan Maurice Nadeau, waarin hij allerlei plannen opsomt. De derde en laatste Oulipien in Raster is voorganger Raymond Roussel (1877-1933), met zijn Impressions d'Afrique.

Ook in dit nummer: Bernlef over (en met) Amerikaanse poëzie van na 1970. John Ashbery:

Gedroegen we ons niet als surrealisten? En waarom

Analyseerden vreemden aan de bar je haar.

En vingernagels, alsof het lichaam niet

De meest comfortabele houding wilde zoeken en vinden.

En je hoofd, dat vreemde ding.

Telkens als de deur dichtging problematischer werd?

Raster 54, WeMoLi. De Bezige Bij, 180 blz. ƒ 24.40.