Owen wil geen overjarige popster zijn

LONDEN, 3 SEPT. De dokter hangt zijn lier aan de wilgen. “Dokter” David Owen, in de jaren zeventig Groot-Brittanniës jongste minister van buitenlandse zaken na Anthony Eden, kondigde dit weekeinde zijn afscheid uit de politiek aan. Hij wil na de komende verkiezingen in Groot-Brittannië niet als een “overjarige popster” blijven rondhangen in de corridors van Westminster: een leider zonder kudde. De man die ooit beloofde de verstarring in de Britse politiek te doorbreken, is na een klein decennium proberen met zijn kop tegen de muur gelopen. “Eigen schuld”, zeggen voormalige medestanders. Maar ook: “Het spijt me dat hij het Lagerhuis verlaat, ook al is hij van een andere partij”, aldus gisteren het commentaar van premier John Major.

Dat David Owen (53) eieren voor zijn geld zou kiezen en zijn zetel voor Plymouth Devonport in het Lagerhuis zou opgeven, was algemeen voorspeld sinds in 1990 de Social Democratic Party bij gebrek aan leden en middelen was opgeheven. De partij leidde een kwijnend bestaan sinds het overgrote deel van haar leden twee jaar eerder was overgestapt naar de Social and Liberal Democrats, een nieuwe centrumpartij die het produkt was van een fusie met de Liberalen. Boze tongen beweren dat Owen de fusie alleen al niet wilde, omdat hij niet bij voorbaat de garantie kreeg dat hij partijleider zou worden. Die roddel doet hem in zoverre onrecht, dat hij geen rekening houdt met Owens niet aflatende verdediging van de noodzaak van nucleaire afschrikking - een vloek in de oren van de Liberale Partij.

Maar ijdel en arrogant was David Owen zeker. Die eigenschappen paarde hij echter aan een brille, die hem tot aan het eind van zijn kwijnend politiek bestaan een status bleef verlenen die vér uitging boven zijn feitelijke politieke invloed. Als leider van uiteindelijk slechts een driemansfractie bleef David Owen in een parlement van 650 afgevaardigden een van de meest gezaghebbende woordvoerders op het gebied van buitenlandse politiek.

Het moment waarop Owen besloot aan te kondigen dat hij opnieuw van carrière wil veranderen, dit afgelopen weekeinde, was onberispelijk gekozen. Dat wil zeggen net op tijd om de aandacht te vestigen op het uitkomen van zijn autobiografische herinneringen (vanaf volgende week in The Sunday Times) en om tegelijkertijd de pret te bederven voor zijn voormalige medestander uit de “Bende van Vier”, ex-EG-commissaris Lord (Roy) Jenkins. Deel één van diens autobiografie verscheen al dit weekeinde in The Observer.

Het resultaat van deze coup is dat beide heren, de eerste en de laatste SDP-leider, elkaar nu in het openbaar voor rotte vis uitmaken bij de beantwoording van de vraag wie de schuld is van het mislukken van een massale doorbraak op het middenveld van de Britse politiek. Owen zegt dat Jenkins destijds uit Labour is weggelopen en de SDP mee heeft opgericht “alleen maar omdat de SDP een handig voertuig was voor zijn ambities om Prime Minister te worden”. Jenkins geeft lik op stuk door Owen te betitelen als - héél erg in Britse verhoudingen - “een man die niet tegen zijn verlies kan”, een “kernwapen-fetisjist” en iemand met wie het vrijwel onmogelijk was dingen uit te praten.

De oorspronkelijke “Bende van Vier” bestond, behalve uit Roy Jenkins en David Owen, uit Shirley Williams en Bill Rodgers. Zij haalden zich de eeuwige haat van de Labourpartij op de hals door in 1981 publiekelijk afstand te nemen van de ultra-linkse koers van Labour en uit de partij te stappen. De door hen opgerichte SDP beoogde een toevlucht te worden voor al die kiezers die hunkerden naar een alternatief voor hetzij extreem-links, hetzij rechts-Conservatief.

Het twee-partijenstelsel van Labour en Tories dat de Britse politiek zo lang in een verstarrende omarming gevangen had gehouden, zou door de nieuwe partij op het politieke midden worden versplinterd. Die voorspelling is niet uitgekomen en dat is deels te wijten aan het bestaande kiesstelsel - een systeem dat de huidige SLD van Paddy Ashdown dan ook net opnieuw gezworen heeft te zullen veranderen van een stelsel van "eerste-over-de-streep' in een systeem van evenredige vertegenwoordiging.

De Alliantie van SDP en Liberale Partij kreeg bij de verkiezingen in 1983 26 procent van de stemmen en in 1987 23 procent van de stemmen, een aandeel vér beneden hetgeen verwacht mocht worden op grond van opiniepeilingen. Die hadden het verbond van Liberalen en SDP op het hoogtepunt 51 procent van de stemmen voorspeld. Maar de toch nog substantiële aanhang resulteerde onder het systeem van first-past-the-post in respectievelijk 23 en 22 zetels: slechts 3,5 procent van het beschikbare totaal.

Na het teleurstellende resultaat van 1983 trad Roy Jenkins terug als leider van de SDP. Volgens Owen, die hem opvolgde, had Jenkins op die positie als aanvoerder van de partij nooit recht gehad, omdat hij zich daarin had laten verkiezen op ondemocratische wijze. Op zijn beurt vervreemdde Owen niet alleen Jenkins, maar ook Williams en Rodgers van zich door zijn botte, eigengereide optreden. Zij verwijten hem het falen van de doorbraak op het midden, omdat hij zich altijd heeft verzet tegen een spoedige fusie met de Liberalen. Die kwam er uiteindelijk, maar te laat voor een beslissende doorbraak: John Major en Neil Kinnock zijn beiden naar het midden opgeschoven en knijpen de aanhang van Paddy Ashdowns SLD af naar een constante 14 procent in de peilingen. David Steel, Owens Liberale partner in de Alliantie, die in 1987 de verkiezingen inging als een van “de twee Davids”, verweet zichzelf gisteren in het openbaar dat hij na 1983 niet harder had aangedrongen op een eerdere fusie. Owen had immers “geen gevoel voor strategisch richting geven” en zijn vertrek was daarom “verdrietig, maar onvermijdelijk”.

Wat de dokter nu gaat doen is onduidelijk, zij het dat hij heeft laten blijken dat hij in de markt is voor een aanzienlijke positie, al of niet in overheidsdienst. Gouverneur van Hongkong of topman bij Tiny Rowlands Lonrho-consortium zijn twee van de suggesties die in de wandelgangen de ronde doen.

Terugkijkend op zijn politieke loopbaan kan David Owen in elk geval constateren dat de Labour Party door de oprichting van de SDP van koers is veranderd, dat de nucleaire verdediging van de Britse eilanden ook bij haar veilig is en dat het concept van de meedogende samenleving post-Thatcher door de Conservatieven is omhelsd. Dat geen van beide partijen hem in hun gelederen wilde of kon opnemen - iets waarover Owen in de afgelopen twee jaar met beide blijkt te hebben onderhandeld - is in dat licht misschien bijzaak.