Lenins veelvolkerenstaat valt uiteen

“Het lot van een grote, duizend jaar oude staat moet niet in een paar emotionele uren worden beslist', zei Michail Gorbatsjov vorige week toen de Unie waarvan hij de president is, uiteen dreigde te vallen. Zeker in die gebieden waar men zich in al die eeuwen niet zo thuis heeft gevoeld in de grote Russische staat, zal zijn uitspraak niet in goede aarde zijn gevallen.

Sinds de Middeleeuwen had Rusland zich enorm uitgebreid. Door middel van oorlog, verovering en soms ook als gevolg van vrijwillige aansluiting groeide het Russische Rijk tussen het einde van de vijftiende en het einde van de negentiende eeuw met een gemiddelde snelheid van maar liefst 130 km2 per dag uit tot een land van gigantische proporties, dat zich over een groot deel van het Euraziatische continent uitstrekte. Behalve het gebied van de latere Sovjet-Unie behoorden daar ook nog Finland en Polen toe.

De Russen vormden in deze veelvolkerenstaat een minderheid van goed vierenveertig procent, maar ze hadden het er wel voor het zeggen. Veel van de niet-Russische minderheden waren ontevreden over de russificatiepolitiek van de laatste tsaren. Samen met Russische revolutionairen wierpen zij in 1917 de tsaristische autocratie omver. Het lot van het Russische Rijk werd daarna niet in een paar uren, maar wel in een paar jaren beslist. De verhoudingen tussen de verschillende nationaliteiten verslechterden in snel tempo. De Voorlopige Regering die het tsaristische bewind in de hoofdstad Petrograd opvolgde, wilde het land bijeenhouden, maar had geen antwoord op het snel om zich grijpende separatisme.

Er ontstonden problemen met de op één na grootste natie van het land, de Oekraïners. Die vestigden na de Februari-revolutie in Kiev hun eigen regering, de Rada, en eisten autonomie op. Toen de regering in Petrograd die in juli 1917 met grote tegenzin min of meer erkende, leidde dat tot een kabinetscrisis en het vertrek van de meeste liberale ministers uit de Voorlopige Regering.

De nationaliteiten die volgden hadden al niet meer te maken met de Voorlopige Regering, want die werd in oktober 1917 door de bolsjewieken of communisten onder leiding van Lenin omvergeworpen. Lenins Sovjet-regering had net zo min een programma dat de minderheidsnationaliteiten erg kon aanspreken. Volgens de marxisten, waartoe de bolsjewieken behoorden, had immers het proletariaat geen vaderland. Zij zagen het nationalisme als een burgerlijk verschijnsel dat in de socialistische maatschappij vanzelf zou verdwijnen. Maar Lenin wist wel een behoorlijke dosis soepelheid op te brengen met betrekking tot het nationaliteitenvraagstuk. Hij ging weliswaar niet zo ver als de Oostenrijkse marxisten Bauer en Renner die het federalistische principe accepteerden om de diverse nationaliteiten in hun land een eigen plaats te geven. Maar hij meende wel dat met nationale bewegingen in een bepaald stadium kon worden samengewerkt om gemeenschappelijk de gevestigde orde te bestrijden: ze konden worden gebruikt om de eigen bolsjewistische doeleinden naderbij te brengen.

Om hen daartoe over te halen beloofde hij hun zelfbeschikkingsrecht. Het uiteindelijke doel bleef wel een centralistisch georganiseerde staat waar de dictatuur van het proletariaat werd uitgeoefend. Dat het nationalisme een toekomst had, drong niet tot Lenin door.

De leuzen hadden succes en diverse minderheidsnationalisten steunden de bolsjewieken toen ze de Voorlopige Regering omverwierpen of namen een houding van vriendschappelijke neutraliteit aan. Maar toen de bolsjewieken vervolgens hun gezag ook over de randgebieden wilden uitbreiden, namen de nationalisten de wapens tegen hen op. In 1918 brak er een burgeroorlog uit. De regering van Lenin, inmiddels verhuisd van Petrograd naar Moskou, stond er in de zomer van 1918 aanzienlijk beroerder voor dan de Sovjet-regering nu. Stuk voor stuk scheidden de randgebieden zich af: Finland, Polen, de Baltische landen, Wit-Rusland, de Oeral en geheel Siberië. De Sovjet-regering in Moskou regeerde alleen nog maar over een deel van Europees-Rusland en was bijna weer in dezelfde positie als de vorsten van Moskou in de Middeleeuwen.

Bij de terugverovering van het verloren gebied bewees Lenins elastische nationaliteitenpolitiek goede diensten. De Witte generaals waren bij de nationale minderheden niet populair, want zij streefden naar herstel van het Ene en Ondeelbare Rusland. Lenin had hun, zo leek het meer te bieden, want hij beloofde hun zelfbeschikkingsrecht. In het voordeel van de bolsjewieken werkte ook dat de meeste nationale bewegingen geen erg hechte basis onder de bevolking hadden en sterk verdeeld waren; van die verdeeldheid maakten de bolsjewieken handig gebruik. In de koloniale gebieden van het voormalige Russische Rijk konden zij bovendien rekenen op de steun van een groot deel van de Russische kolonisten. Waar andere middelen niet hielpen, maakten de bolsjewieken gebruik van militair geweld.

In de Oekraïne en Wit-Rusland maakten de nationalistische regimes zich ongeliefd door samen te werken met de Duitsers en de Polen. Daardoor konden de bolsjewieken aansluiting zoeken bij de linkervleugel van de nationalistische beweging en met die steun in 1920 het grootste deel van het gebied terugverwerven. Alleen de westelijke delen van de Oekraïne en Wit-Rusland kwamen aan Polen, maar daar wist Stalin na het Molotov-Ribbentrop-pact van 1939 weer de hand op te leggen. De bergvolken van de Noordelijke Kaukasus, evenals de Tataren van de Krim, kregen met het Russische chauvinisme van de Witten te maken en werden daardoor welhaast in de armen van de bolsjewieken gedreven. Ook de Basjkieren en de Tataren van de Oeral kozen uiteindelijk voor de bolsjewieken als het geringste kwaad.

Moeilijker was het om Transkaukasië en Centraal-Azië terug te krijgen. In Transkaukasië hadden in mei 1918 Georgië, Armenië en Azerbajdzjan de onafhankelijkheid uitgeroepen, maar de drie staten verkeerden in een zorgelijke situatie. Ze voerden onderlinge grensoorlogen (ook toen was de kwestie-Karabach een strijdpunt), hadden problemen met hun nationale minderheden en werden van buitenaf bedreigd. Behalve Sovjet-Rusland zat ook Turkije op het gebied te azen en er hingen in deze periode ook nog Duitse en Britse interventietroepen in Transkaukasië rond. Azerbajdzjan bood in 1920 in het geheel geen verzet toen het Rode Leger binnenrukte. Armenië raakte in datzelfde jaar in oorlog met Turkije en was zelfs opgelucht dat een Sovjet-interventie het Turkse gevaar afwendde. In Georgië was begin 1921 een echte militaire operatie nodig om de mensjewistische regering uit Tiflis te verdrijven. In het noordelijke steppengebied van Centraal-Azië, het huidige Kazachstan had de moslim-beweging van de Alasj-Orda de onafhankelijkheid uitgeroepen. De bolsjewieken konden gebruikmaken van onderlinge verdeeldheid om het in handen te krijgen. In het zuidelijker gelegen Toerkestan dat later over een aantal Sovjet-republieken zou worden verdeeld, lieten de bolsjewieken zich van hun slechtste zijde zien. De plaatselijke bolsjewistische heersers oefenden er een bewind van "proletarisch kolonialisme' uit, een voortzetting van het koloniale regime onder de tsaren. Ze steunden daarbij op de Russische stedelijke bevolking, waaronder immers het proletariaat gezocht moest worden. De geknechte autochtone islamieten zochten hun heil bij de beweging van de Basmatsji's. Dat waren oorspronkelijk een soort Robin Hoods, die zich allengs tot een omvangrijk volksverzet tegen het bolsjewistische bewind ontwikkelden. In 1921 sloot zich ook de Jong-Turkse leide Enver Pasja bij de Basmatsji's aan, in de hoop langs die weg zijn Pan-Turkse idealen te kunnen verwezenlijken.. De bolsjewieken wisten de Basmatsji-beweging tenslotte met militair geweld én vergaande religieuze en economische concessies aan de islamitische bevolking te verslaan. Ze verjoegen ook de emir van Boechara en de chan van Chiva.

Zo hadden de bolsjewieken in het begin van de jaren twintig het grootste deel van het Russische Rijk weer onder hun hoede. Maar Polen en Finland hadden hun onafhankelijkheid verworven en, tijdelijk, ook de drie Baltische staten, terwijl Bessarabië en delen van de Oekraïne en Wit-Rusland bij repectievelijk Roemenië en Polen waren gevoegd. Nu moest er nog een nieuwe staatsstructuur worden ontworpen. Want bij het terugverwerven van de verloren delen van het Russische Rijk hadden de bolsjewieken, om de nationalisten te paaien, kwistig autonomie uitgedeeld.

De Russische federatie kreeg zeventien autonome gebieden en republieken binnen haar grenzen, zoals Tatarije, Dagestan, de Krim of Jakoetië. De vestiging van deze gebieden en republieken (een duidelijk onderscheid was er niet) berustte niet op een afspraak, maar op een besluit van het centrale Sovjet-bewind, wat wel iets zegt over het gehalte van de autonomie, die zich niet erg ver uitstrekte. Er bestonden daarnaast nog enige tijd drie volksrepublieken, Boechara, Chorezm (het vroegere Chiva) en de Republiek van het Verre Oosten. Die laatste was een "bufferstaat' die in 1920 tussen Sovjet-Rusland en Japan in het gebied ten oosten van het Bajkal-meer was ingesteld; in feite was het een Sovjet-satelliet en na het vertrek van de Japanse interventietroepen in 1922 werd zij bij Sovjet-Rusland gevoegd.

Vier Unie-republieken tenslotte vormden eind 1922 de Sovjet-Unie: de Russische federatie, de Oekraïne, Wit-Rusland en de Transkaukasische federatie (bestaande uit Georgië, Armenië en Azerbajdzjan). In 1924 werden hier vijf Centraalaziatische Unierepublieken aan toegevoegd. Oezbekistan, Toerkmenistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Kazachstan (samen het vroegere Toerkestan plus Boechara, Chiva en het noordelijke steppengebied van Centraal-Azië). Later werd de Transkaukasische federatie in drie Unierepublieken opgedeeld, en tenslotte kwamen er na Stalins deal met Hitler nog de drie Baltische republieken en Moldavië bij.

De vorming van de Unie was toevertrouwd aan de secretaris-generaal van de Communistische Partij, Jozef Stalin. Hij hield weinig rekening met de gevoeligheden van de nationale minderheden en legde veel meer nadruk op de centralistische dan op de federale trekken van de Unie. Hij was een Georgiër die zich geheel tot het Russische standpunt had bekeerd. Zo ook zijn voornaamste helpers Ordzjonikidze en Dzerzjinki, de eerste eveneens Georgiër, de andere Pool van geboorte. Ze gedroegen zich als olifanten in de porseleinkast en gingen niet alleen op de tenen staan van de nationalisten maar ook van partijleden als de Tataar Soeltan-Galiëv of de leiding van de Georgische Communistische Partij. De eerste zag de wereldrevolutie niet zozeer als een strijd tussen proletariaat en bourgeoisie, maar tussen kolonie en metropolis; in 1923 werd hij in opdracht van Stalin gearresteerd en berecht. Het Georgische Centrale Comité had bezwaar tegen de botte manier waarop Stalin en zijn mannen de controle van het centrum uitbreidden.

Lenin die in 1922 door een beroerte niet meer direct aan de politieke leiding kon deelnemen, vond ook dat Stalin tactloos optrad en meende dat de minderheden meer moesten worden ontzien. Op zijn ziekbed dicteerde hij een artikel waarin hij "de oorlog aan het Grootrussische chauvinisme' verklaarde. Maar het was hem niet meer gegeven de strijd ook echt aan te binden. Bovendien schrok hij eigenlijk van zijn eigen creatie, want Stalins centralistische politiek was de logische consequentie van zijn eigen nationaliteitenpolitiek.

Eind 1922 werd het door Stalin voorbereide Unieverdrag goedgekeurd door de vier Unierepublieken en op 30 december van dat jaar werd het geratificeerd door het Eerste Congres van Sovjets van de USSR. De Sovjet-Unie was daarmee een feit.

Het verdrag gaf de Unierepublieken slechts beperkte bevoegdheden. Tekenend was bijvoorbeeld dat de regering van de Russische federatie tegelijkertijd Unieregering was. De bevoegdheden werden verder tenietgedaan door de centralistische structuur van de Communistische Partij, die al het politieke gezag uitoefende. De feitelijke regering was het Politbureau van de Communistische Partij. De Sovjet-Unie zoals zij in 1922 ontstond was in nog sterkere mate dan het tsaristische Russische Rijk een gecentraliseerde eenheidsstaat. Toch had zij, geheel in de geest van Lenins nationaliteitenpolitiek, ook een ander aspect. Zolang het nationalisme nog niet was uitgestorven (hetgeen men in de toekomst verwachtte) kregen de minderheden een vrij grote taalkundige autonomie en werd het nationaal-territoriale principe als grondslag van de staatsstructuur erkend. Onder Stalin werden die principes steeds meer een lege huls, maar na hem kregen ze weer meer betekenis. Op basis hiervan kon zich in de Unierepublieken een nationale intelligentsia en een nationale bureaucratie ontwikkelen. Ook was er ruimte voor de ontwikkeling van een nationaal bewustzijn, dat in sommige republieken zelfs sterker was dan vóór de Sovjet-periode. Toen Gorbatsjov de rol van de Communistische Partij begon terug te dringen, stak dit nationale gevoel nog duidelijker de kop op. En na de mislukte coup van 19 augustus heeft het helemaal geen concurrentie van de partij meer.

In 1917 kreeg het nationalisme vrij baan door het wegvallen van het Russische imperiale principe, nu gebeurt hetzelfde door het verdwijnen van de bindende kracht van het communisme. Ook deze keer is desintegratie van de veelvolkerenstaat het gevolg, al zijn de omstandigheden verder heel anders dan in 1917. Het is de vraag of er, net als na 1917, ook nu weer een principe gevonden kan worden dat de kracht heeft om de stukken aaneen te voegen. Het communisme is in diskrediet, het Russische nationalisme wordt buiten Rusland gewantrouwd en iets anders heeft zich nog niet aangediend. Of het zou de verstrengeling van de economieën van de diverse republieken moeten zijn, maar is dat een voldoende overtuigend argument in een revolutionaire tijd?

Foto: De rode cavallerie van de bolsjewieken rukt op in de burgeroorlog van 1918 (uit: Eric Baschet, The revolutionary years, Zug 1989)