In contact met de groten der aarde

Crackpot is een onvertaalbaar Amerikaans woord. Washington is vol van dergelijke gebarsten potten die overal samenzweringen vermoeden. In de National Press Building, vlakbij het Witte Huis, zwerven ze langs kantoren met fotokopieën van handgeschreven epistels, geïllustreerd met krantekoppen en foto's van bekende mensen, die zouden samenspannen om de wereld te overwinnen. Crackpots zijn er in alle soorten, van heren in regenjassen met aktentasjes tot naar drank ruikende daklozen, die in de autobus staan te schreeuwen tegen niemand in het bijzonder.

Het is een exclusief mannelijke branche. Vrouwen missen de ambitie om een persoonlijke relatie op afstand aan te gaan met de groten der aarden. In Amerika hebben crackpots grote ontplooiingsmogelijkheden omdat er in een dergelijk grootsteeds land weinig sociale remmen bestaan voor excentriekelingen. De mensen lopen in een ruime boog om hen heen en vermijden met hen in discussie te treden, dat kost te veel tijd. Zo kunnen ze in hun eenkamerappartementjes of kartonnen dozen ongehinderd door persoonlijke kritiek theorieën ontwerpen en knipsels verzamelen over hun favoriete personen en onderwerpen. “President Bush vermoordde 567 personen” en “Broeikaseffect met opzet veroorzaakt door Pentagon”, “Genocide door de paus en Gorbatsjov”.

Crackpots volgen de actualiteit. De Koude Oorlog was een dankbaar thema. Afhankelijk van de politieke oriëntatie sierden crackpots hun plakwerkstukken met afkortingen van de KGB, CIA of FBI. Maar ook na de val van de Berlijnse muur zijn de Amerikaanse inlichtingendiensten evergreens. Sommigen denken dat de mensen worden gecontroleerd door geheime stralen of verborgen boodschappen die via radio of televisie op de wereld worden losgelaten.

Op zekere dag word ik gebeld door Mike. Hij zegt een onthullend boek te hebben geschreven over de affaire met de internationale bank BCCI, die zwarte gelden wit waste, door middel van omkoping geld van arme landen aftroggelde, ongedekte leningen verstrekte en terroristen steunde. Mike heeft zich speciaal geconcentreerd op de Pakistani Abdul Quadr Khan die met behulp van BCCI atoomgeheimen ontfutselde aan Nederland.

“Mijn boek over BCCI wordt waarschijnlijk bij Simon and Schuster gepubliceerd”, kondigt Mike aan.

“Oja, wanneer?”

“Wel, mijn literaire agent is het met de uitgever aan het bespreken”, antwoordt hij.

We maken een afspraak, want ik wil deze auteur wel eens in het echt zien.

Een week later gaat de telefoon.

“Hallo, dit is een anoniem telefoontje”

“Hoezo?”

“Ik hoorde uw stem op het antwoordapparaat en ik wil u waarschuwen tegen Mike. Hij is vreselijk. Gisteren heeft hij mijn adressenboekje gestolen. Ik deel een huis met hem en met de huisbaas. U moet echt niet met hem in zee gaan. Volgens de huisbaas is hij verklikker geweest voor de CIA. Twee weken geleden zat hij nog in de gevangenis. Er is altijd wat met hem. Ik moet uitkijken dat ik hem niet vermoord”

Ik blijf nieuwsgierig. Drie dagen later komt uit de lift in de National Press Club een in het wit geklede man met een druipsnor en middellange zwarte, strakke haren. Onder zijn arm heeft hij dikke mappen. Hij moet van Japanse of Hawaiïaanse afkomst zijn. Boven een sandwich vouwt hij zijn manuscript open, een samenstel van knipsels, persberichten, faxen en getikte velletjes. Hij heeft Amerikaanse journalisten aangeschreven die hem vaak netjes hebben geantwoord met formules als “altijd open voor suggesties”. Er is ook een copie van een hotelrekening van een zekere William Paly van de televisiemaatschappij ABC. “Kijk, dat is mijn hotelrekening, toen ik consulent was van ABC over het BCCI-schandaal”, zegt hij.

“Maar uw naam staat er niet bij?”

“Dat was de naam die ik gebruikte”, antwoordt hij.

Hij wijst op een beleefde antwoordbrief van de Londense correspondent van de New York Times. “Hem heb ik ook geadviseerd”, zegt hij en hij slaat een bladzijde om naar een BCCI-artikel, waarvoor hij de bron zou zijn geweest.

“Maar dat knipsel is van de Times uit Londen en niet van de New York Times.”

“De correspondent van de New York Times was toen met vakantie.”

Een andere brief, van een justitiële autoriteit, zegt zijn klacht over de schending van zijn burgerrechten te zullen onderzoeken. Het adres op de getypte brief heeft hij uitgeknipt. Waarschijnlijk is het die gevangenis.

Na enige tijd staat hij op en maakt hij met zijn map de ronde door de eetzaal. Hij kent alle journalisten, zegt hij. Hij geeft hen een nauwelijks leesbare vlekkerige kopie van een incriminerende brief van president Bush over BCCI. Aan een tafeltje veroorzaakt de brief opschudding. Iedereen moet hem lezen. Er ontstaat discussie, maar dan geeft een jonge man van een lokale krant uit Ohio hem terug. “Nu wil ik nog het origineel zien”, zegt hij wijselijk.

Dan staat de auteur op. Voor vandaag heeft hij zijn taak weer volbracht. Hij heeft zijn curriculum vitae weer aangevuld met nieuwe adviezen aan vele, wereldberoemde journalisten. Dat kan zijn hatelijke buurman niet zeggen. “Bedankt voor de lunch”, zegt hij en spoedt zich naar de lift.