Graaien of paaien

RENTE EN DIVIDEND zijn inkomen en moeten daarom worden belast. Maar het gaat daarbij ook om een vergoeding op sparen en vermogensvorming die onmisbaar zijn in een moderne economie, noodzakelijk als zij zijn om investeringen te financieren en om overheidstekorten te dekken. Het Nederlandse ministerie van financiën verkeert daardoor in een ambivalente positie, zeker ten aanzien van rente-inkomsten: als belastinggaarder die de overheid van inkomsten voorziet is iedere bron voor belastingheffing welkom. Maar als verreweg de grootste partij op de kapitaalmarkt om met leningen het overheidstekort te dekken, heeft Financiën alle belang bij een spaarvriendelijk klimaat.

Nederlanders zijn nijvere spaarders, maar ze hebben niet graag dat de fiscus een greep in de opbrengst van hun spaarrekeningen doet. Iedere keer als de overheid plannen ventileert om de rente-opbrengsten te belasten, leeft de spaarvlucht naar België en Luxemburg op. Bankiers bij onze zuiderburen zijn van mening dat de grote vermogens Nederland allang hebben verlaten om redenen van belastingontwijking. België kent geen vermogensbelasting en Luxemburg heeft het best bewaarde bankgeheim van Europa.

Met open grenzen en vrij kapitaalverkeer in Europa kan Nederland moeilijk uit de pas lopen met EG-landen die aantrekkelijke schema's van belastingvrij sparen kennen. De Nederlandse fiscus heeft dus maar één mogelijkheid om het geld van kleine spaarders en beleggers in eigen land te houden: het moet sparen en beleggen aantrekkelijk houden door niet alle opbrengsten te belasten. Rente- en dividendvrijstelling dus. Deze twee belastingfaciliteiten zijn in 1978 respectievelijk 1981 ingevoerd en bieden aftrekposten aan personen met inkomsten uit rente of uit Nederlands dividend. Zij zijn een fiscale stimuleringsregeling voor sparen en vermogensopbouw door particulieren.

INFLATIE VORMDE in de jaren zeventig het motief voor de invoering van een rentevrijstelling van zevenhonderd gulden. De rente hield toen geen gelijke tred met de waardedaling van het spaargeld door de inflatie. De regering meende dat vooral kleine spaarders werden gedupeerd als de rente ook nog volledig werd belast. De ingestelde vrijstelling had een beperkte betekenis, want juist de kleine spaarders maakten er een sport van om hun rente-inkomsten voor de fiscus te verzwijgen. Minister Ruding, op jacht naar extra belastinginkomsten, besloot deze particuliere vorm van fiscaal beleid streng aan te pakken. Nederland kreeg daardoor een Zuidamerikaans tintje: enkele miljarden verdwenen over de grens. Het was volgens fiscale scherpslijpers een schandelijke vorm van kapitaalvlucht; de bankiers van de Luxemburg-route spraken liever van een afgedwongen vorm van vermogensbescherming.

Ruding besloot tot afspraken met de Nederlandse banken om alle rentebetalingen aan de fiscus door te geven. Als tegenwicht eiste de Tweede Kamer een verhoging van de rentevrijstelling tot maximaal duizend gulden per belastingplichtige, tweeduizend gulden per echtpaar en vijfhonderd gulden per kind. In EG-verband heeft Ruding nog vergeefse pogingen gedaan om dit staaltje van Nederlandse regelzucht geaccepteerd te krijgen.

Na Ruding kwam Kok en hij stootte zich aan dezelfde steen. In de Tussenbalans, lente 1991, lanceerde het kabinet een voorstel om de rentevrijstelling af te schaffen. De Belgische en Luxemburgse banken bereidden zich al voor op een nieuwe golf Nederlandse spaarders, maar omdat een ruime Kamermeerderheid de faciliteit beslist wilde handhaven, is zij uiteindelijk buiten de lastenverzwaringen van de Tussenbalans gebleven.

Met bescherming tegen inflatie heeft de rentevrijstelling intussen niets meer te maken. Het bedrag van de vrijstelling is zelfs hoognodig aan herziening toe: toen de Kamer in 1987 akkoord ging met duizend gulden vrijstelling, bedroeg de spaarrente ongeveer vijf procent. Iemand kon zo een bedrag van twintigduizend gulden belastingvrij sparen. Sindsdien is de rente opgelopen tot negen procent en kan nog maar elfduizend gulden spaargeld buiten de aanslag worden gehouden. De rentevrijstelling moet dringend worden bijgesteld aan de hoogte van de marktrente. Maar het probleem is dat niemand aan deze zaken veel aandacht schenkt en dat komt weer omdat de ratio van de invoering van dit soort maatregelen allang is zoek geraakt. Het gaat nu gewoon om een van de gevarieerde mogelijkheden om belasting te heffen, afhankelijk van de tijdgeest voorzien van een passende redenering.

NOG MINDER POLITIEKE aandacht bestaat er voor de lotgevallen van de dividendvrijstelling op de inkomstenbelasting. Bij de invoering ervan, in 1981, was het de bedoeling om particulieren aan te moedigen tot het kopen van Nederlandse aandelen. In het kader van de Tussenbalans overweegt het kabinet de dividendvrijstelling weer te schrappen. Is het doel dus nu om mensen te ontmoedigen aandelen te kopen, want dat zou tenminste nog logisch zijn? Welnee. Het komt gewoon goed uit die vrijstelling nu te schrappen.

Het oogt dus niet alleen als opportunisme, maar het is opportunisme, wezenskenmerk van belastingpolitiek. Om nog even het voorbeeld van de dividendvrijstelling te volgen: op de vergoeding van aandelenbezit wordt al bij voorbaat dividendbelasting geheven hoewel bevordering van particuliere vermogensvorming nog steeds doelstelling van het beleid heet te zijn. Waar logica ontbreekt bieden wal en schip overigens soelaas: omdat de liberalisering van de kapitaalmarkten het uitwijken naar buitenlandse beurzen steeds gemakkelijker maakt, staat straks vermoedelijk de ingetekende opbrengst in geen verhouding tot het verlies als gevolg van vermogensvlucht.

DE COMMISSIE STEVENS voor belastingvereenvoudiging presenteerde onlangs een plan om de rente- en dividendvrijstelling samen te voegen. Dat sluit aan bij de trend van financiële instellingen om steeds meer gecombineerde spaar- en beleggingsmogelijkheden aan te bieden. Maar een royale vrijstelling zal daarbij moeten blijven gehandhaafd omdat de overheid anders ontwijkingsgedrag uitlokt en zichzelf in de vingers snijdt. Iedere minister van financiën zal er rekening mee moeten houden dat de ambtelijke wens om op elke gulden die langs komt belasting te heffen, haaks staat op de particuliere vindingrijkheid en de werking van de kapitaalmarkten.