De status van het vereerde Rode Leger is sterk gedaald; De vraag is of de nieuwe militaire leiding het proces van desintegratie van de Sovjet-krijgsmacht kan stoppen.

“Ik ben te allen tijde bereid op bevel van de Sovjet-regering aan te treden voor de verdediging van mijn vaderland, de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken en als militair van de strijdkrachten zweer ik het moedig te verdedigen, kundig, met waardigheid en eer, zonder mijn eigen bloed of zelfs leven te sparen voor het bereiken van de volledige overwinning over zijn vijanden. Als ik deze plechtige eed schend laat mij dan de strenge straf treffen van de Sovjetwet, de algehele haat- en minachting van de werkers.”

Dat deze militaire eed voor verschillende interpretaties vatbaar is bleek twee weken geleden bij de mislukte coup in de Sovjet-Unie. Een groot deel van de Sovjet-krijgsmacht was niet bereid aan de oproep van het coup-comité gevolg te geven. Een van de leden van dit comité was zoals bekend minister van defensie maarschalk Jazov. Niet verwonderlijk was dat na de mislukking van de staatsgreep niet alleen Jazov maar ook de chef van de generale staf generaal Mojsejev het veld moest ruimen. Hoewel beide militaire leiders enkele jaren geleden hun "politieke' benoeming aan Gorbatsjov te danken hadden, stelden zij zich sind vorig jaar steeds kritischer op tegenover het beleid van hun politieke voorman.

Nu waren de problemen waar de militaire leiding het afgelopen jaar mee kampte ook niet gering. Ontduiking van de dienstplicht op grote schaal, de oprichting in sommige republieken van niet-reguliere militaire organisaties, toenemende muiterij en desertie, diefstal van wapens uit militaire depots en het afsnijden van de bevoorrading en dienstverlening aan Sovjet-troepen door de lokale autoriteiten in de Baltische staten, waren moeilijk verteerbaar voor Jazov. Om nog maar te zwijgen over de strategische terugtocht uit het voormalige militaire bolwerk in Oost-Europa en de nauwelijks te verwerken opvang van de terugkerende Sovjet-troepen uit Hongarije en Tsjechoslowakije. Generaal Mojsejev profileerde zich vooral door in het openbaar kritiek uit te oefenen op de vele concessies van de politieke leiding bij de wapenbeheersings-onderhandelingen (CFE en START). Het gevolg was onder meer dit voorjaar een min of meer openlijke, zij het tijdelijke obstructie van het CFA-akkoord. De cumulatie van deze problemen was voldoende voor de militaire top om Gorbatsjov te pressen tot een meer behoudend en repressief beleid.

Zal de pas benoemde militaire leiding nu minder moeite hebben met het klimaat van de politiek? De nieuwe minister van defensie, de voormalig bevelhebber van de luchtstrijdkrachten, kolonel-generaal Sjaposjnikov, heeft zijn benoeming vooral te danken aan zijn weigering om de bevelen van de plegers van de coup op te volgen. Hij staat bekend als een voorstander van het geven van prioriteit aan de economische ontwikkeling van de Sovjet-Unie. Dit beschouwt hij als een essentieel element van nationale veiligheid. De nieuwe chef van de generale staf, generaal Lobov, heeft de naam een havik te zijn. Hij was onder meer een fel tegenstander van de in 1988 door Gorbatsjov in de Verenigde Naties aangekondigde eenzijdige militaire reducties van de Sovjet-Unie. Sinds vorig jaar is hij zich echter steeds kritischer tegenover Jazov en Mojsejev gaan opstellen.

Naast deze twee belangrijke wijzigingen in de top, is structureel gezien de aankondiging dat op korte termijn tachtig procent van het militaire kader vervangen wordt van nog groter belang. De vraag is echter of de nieuwe militaire leiding het voorthollende proces van desintegratie van de Sovjet-krijgsmacht kan stoppen. Het gaat hier om een militair apparaat dat qua omvang zijn gelijke niet kent in deze wereld. Enkele kerngegevens ter illustratie: de Sovjet-krijgsmacht bechikt onder meer over vier miljoen militairen, zevenduizend gevechtsvliegtuigen en driehonderdenvijftig onderzeeboten. Tot voor enkele jaren geleden had de Sovjetskrijgsmacht een onaantastbare positie in de maatschappij. Twee dingen waren toen heilig: Lenin en het Rode Leger. Beide waren nauw met elkaar verbonden. De eigenaardige verering voor de strijdkrachten vond zijn oorsprong in wat Marx de “objectieve elementen” noemde. Lenin had immers verkondigd: “Een revolutie kan alleen stand houden als zij zich kan verdedigen.”

Met deze toverformule werden Sovjetburgers er voortdurend van doordrongen dat het Rode Leger van een andere orde was dan elke andere krijgsmacht in de wereld. Het Rode Leger verdedigde immers niet alleen een land, maar ook een ideologie, het socialisme. Daarom stond de krijgsmacht niet alleen de natie ten dienste, maar ook de Communistische Partij. Zo staat het ook in de (inmiddels door de feiten achterhaalde Grondwet). Binnen deze ideologische context was de gehele Sovjet-samenleving van de verering voor het Rode Leger doortrokken. Jeugdverenigingen als de Pioniers en de Komsomol organiseerden wekelijks militaire spelen voor hun leden; op de middelbare school was militair onderricht een van de verplichte vakken. De grootste vereniging van het land was de Dosaaf: de vereniging voor samenwerking met leger, luchtmacht en vloot die haar tientallen miljoenen burgerleden trainde in militaire, para-militaire en militair-technische sporten en vaardigheden. De belangrijke plaats van de Sovjet-krijgsmacht blijkt ook uit het aandeel van Defensie in het bruto-national produkt. Volgens de meest recente military balance bedraagt dit waarschijnlijk vijfentwintig à dertig procent.

De verering voor het Rode Leger brokkelde echter de laatste jaren geleidelijk aan af. Zo was het verloop van de oorlog in Afghanistan voor de Sovjet-krijgsmacht één groot fiasco. De afloop van dit conflict deed ernstig afbreuk aan het zorgvuldig gekoesterde imago van het onoverwinnelijke Rode Leger. Na negen jaren van offensieve operaties, dagelijkse luchtbombardementen en artilleriebeschietingen en een groot aantal slachtoffers onder vooral de Afghaanse burgerbevolking, trokken vanaf augustus 1988 de Sovjet-strijdkrachten zich uit dit onherbergzame land terug. Het enige waar het Rode Leger op kon bogen was de succesvolle verdediging van grote steden en bases. De Sovjet-militaire bevelhebbers hadden echter geen adequaat militair antwoord kunnen geven op de guerrilla-oorlogvoering van de Mujaheddin. Een gebrek aan adequate training, een veel te centralistische besluitvorming, een gebrek aan initiatief en mobiliteit en militaire tactieken die vooral gericht waren op oorlogvoering in Europa waren de belangrijkste oorzaken van het Sovjet-falen. Bovendien was het moreel van de troepen vrij laag en vervielen vele Sovjet-militairen tot drugsgebruik.

Een andere belangrijke ontwikkeling die de machtige positie van het Rode Leger uitholde was de verandering in de militaire doctrine. Tot voor kort ging de defensieve instelling van het kwetsbare politieke Sovjet-systeem gepaard met het bestaan van een Sovjet-krijgsmacht, waarin het denken over een eventuele oorlog met het Westen werd overheerst door het offensief en waarvan de offensieve uitrusting die offensieve instelling nog eens onderstreepte. In een conflict met de NAVO zou het overwicht aan nucleaire middelen aan Sovjet-zijde, de voorwaarden moeten scheppen om met conventionele wapens de infrastructuur van de NAVO te vernietigen en gelijktijdig met gepantserde eenheden de zwakke plekken van de voorlaatste verdedigingslijn van de Navo te doorbreken.

Al spoedig na zijn aantreden als secretaris-generaal Gorbatsjov onderkende hij dat de Sovjet-Unie vooral vanwege de slechte economische situatie de wedijver met de militaire opbouw van de Verenigde Staten onder Reagan niet kon volhouden. Frustrerend voor de Sovjet-Unie was vooral de structurele technologische voorsprong van de Verenigde Staten onder meer naar voren komend in het SDI-onderzoek. Een nieuwe richting gevend beginsel dat Gorbatsjov in het kader van "het nieuwe denken' voor de strijdkrachten introduceerde was dat van de "redelijke toereikendheid'. Anders gezegd: de strategie en samenstelling van de Sovjet-krijgsmacht moest in de toekomst slechts in staat zijn een aanval op het eigen territorium af te slaan. De praktische toepassing van dit beginsel maakte onder meer vrij grote asymmetrische reducties mogelijk zoals bij het INF-verdrag (1987) bij de door Gorbatsjov in de Verenigde Naties aangekondigde grootschalige eenzijdige reducties (1988) en het CFE-akkoord (1990).

Over de praktische operationalisering van het beginsel van "voldoende toereikendheid', bestaan in de Sovjet-Unie echter grote verschillen van mening. Door het oprichten van civiele instituten op het terrein van strategische vraagstukken heeft Gorbatsjov enkele jaren geleden het monopolie van de krijgsmacht op dit gebied doorbroken. In het nog steeds voortdurende debat tussen civiele en militaire deskundigen blijkt de meerderheid van de laatste nog steeds over de mogelijkheid tot het uitvoeren van een grootschalig tegenoffensief te willen beschikken. In dit verband uitte Jazov enkele maanden geleden de volgende kritiek op het CFE-akkoord: “De politiek-militaire situatie in Europa is fundamenteel aan het veranderen maar niet in ons voordeel. In wezen staan de Sovjet-strijdkrachten tegenover een enorme militaire machine van de NAVO. De uitvoering van de Parijse akkoorden (bijvoorbeeld CFE) zal de correlatie van krachten verder ten nadele van de Sovjet-Unie veranderen.”

Een andere meer desintegrerende faktor binnen de Sovjet-krijgsmacht is het instituut dienstplicht. Van de ongeveer vier miljoen parate militairen is meer dan de helft, tweeënhalf miljoen dienstplichtigen. In sommige republieken is het echter de laatste jaren bijzonder slecht gesteld met de naleving van deze plicht. De oorlog in Afghanistan, de onderdrukking van protesten in Georgië in 1989, maar ook de slechte behandeling van dienstplichtigen afkomstig uit minderheden zijn faktoren die tot ontduiking van de dienstplicht of tot desertie hebben geleid. Hiernaast zijn er ook veel geluiden te beluisteren die een meer territoriale organisatie van de krijgsmacht verlangen. Een belangrijke, meestal verzwegen, politieke reden om de dienstplichtigen ver van huis te laten dienen is dat het leger gemakkelijk voor binnenlandse militaire bijstand inzetbaar is. Zo wordt immers vermeden dat een dienstplichtige op de eigen bevolking moet schieten. Problematisch is echter dat een krijgsmachtorganisatie die gebaseerd is op een indeling in nationale territoria de operationele inzet van niet aan territoria gebonden krijgsmachtdelen zoals de marine en luchtmacht bijzonder moeilijk maakt.

Door knelpunten is het niet verwonderlijk dat er in de Sovjet-Unie vele stemmen opgaan die pleiten voor een vrijwilligers-krijgsmacht. Zowel Jazov als Mojsejev hebben zich in het verleden hierover echter nogal terughoudend uitgelaten. De economische kosten van een vrijwilligers-krijgsmacht maar vooral het behoud van een belangrijke Sovjet-militaire multiplier: de grote omvang van de krijgsmacht en de daarbij behorende wapenvoorraden en produktiekosten, geven zij uiteraard liever niet prijs.

Interessant is dat de nieuwe chef van de generale staf, generaal Lobov zich vorig jaar september voorstander van het beginsel van vrijwillige dienstneming heeft getoond. Iedereen, aldus Lobov, moet in beginsel op contractbasis tot de krijgsmacht kunnen toetreden. Sinds vorig jaar is het dreigende uiteenvallen van de Unie een nieuwe gecompliceerde factor voor de Sovjet-militaire leiding. De vraag is in hoeverre het gisteren door de leiders van tien Unie-republieken en president Gorbatsjov ingediende voorstel voor een nieuwe structuur van de Unie de Sovjet-krijgsmacht voor verdere desintegratie zal behoeden. Naar verluidt zullen de republieken en Defensie een veiligheidsakkoord sluiten dat voorziet in een gemeenschappelijke defensie waarin de strijdkrachten een eenheid zullen blijven. Sommige republieken hebben ook nauwelijks een andere keus aangezien hun economisch draagvlak volstrekt onvoldoende is om een eigen militair apparaat in stand te houden.

Pragmatisch gezien zou een regeling waarin alle republieken over eigen nationale landstrijdkrachten beschikken en de nucleaire wapens, de marine en de luchtmacht onder centraal gezag komen een voor de hand liggende oplossing zijn. De vraag is echter of dat pragmatisme op dit moment in de Sovjet-Unie in voldoende mate aanwezig is. ew,9