Dahliakwekers duwen Oostduitse collega's uit markt

Oostduitse dahliakwekers zien zich na de Duitse eenwording geconfronteerd met toenemende concurrentie uit het produktieve westen.

Vooral Nederlandse dahliakwekers blijken hun Oostduitse collega's het leven zuur te maken. Dat heeft de vice-president van de Duitse Dahlia-, Fuchsia- en Gladiolenvereniging, Wilfried Berghoff, gezegd in een toespraak tijdens een bijeenkomst in Erfurt.

Vooral het zuiden van de voormalige DDR kende sinds de import van de eerste knollen en zaden, zo rond het jaar 1800, lange tijd een florerende dahliateelt. Terwijl Oostduitse telers de vraag tot voor kort nauwelijks aankonden, kampen hun Westduitse collega's al tientallen jaren met forse concurrentiedruk uit Nederland. Van de 50 miljoen dahliaknollen die Nederland jaarlijks exporteert, gaat ruim éénderde naar onze oosterburen. Het overgrote deel van de Westduitse telers heeft daardoor inmiddels het loodje gelegd.

Sinds de grenzen naar en van het westen zich openden lijken de Oostduitse collega's eenzelfde lot beschoren. Volgens Berghoff hebben de Nederlandse kwekers het voordeel dat zij door het gunstige klimaat “net zo eenvoudig dahliaknollen als aardappels telen”.