"Afrikaan na 40 jaar hulp alleen maar slechter af'; Inkomen per hoofd van bevolking loopt elk jaar weer terug

DEN HAAG, 3 SEPT. Na veertig jaar ontwikkelingssamenwerking is de gemiddelde Afrikaan slechter af dan in 1950. De bevolking zit in een "schaar'. Aan de ene kant wordt importeren uit het Westen steeds duurder, aan de andere kant leveren produkten en grondstoffen uit Afrika op de wereldmarkt steeds minder op. Het inkomen per hoofd van de bevolking loopt elk jaar terug. Alarmerende rapporten verschijnen regelmatig, maar het tij wordt niet gekeerd.

Dat zegt drs. M. van Hulten aan de vooravond van een tweedaags beraad op 9 en 10 september van de Global Coalition for Africa (GCA) in Parijs. De GCA is een nieuwe denktank van Afrikaanse politieke leiders en vertegenwoordigers van donor-landen en internationale hulporganisaties. Van Hulten is lid van het kleine secretariaat van de organisatie, die vorig jaar in Maastricht een eerste bijeenkomst hield en door Nederland op de been is geholpen. Van Hulten is naar de CGA afgevaardigd door minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking.

In Parijs moet een mogelijk actieprogramma worden doorgenomen met als hoofdpunten de kwaliteit van het bestuur en de samenhang tussen bevolkingsgroei en economische groei en de daarmee gepaard gaande vernietiging van het milieu. Over de schuldenproblematiek van Afrika liggen zoveel studies op tafel dat de Coalitie voor Afrika daarmee maar even wil wachten. Een week eerder is dan al in New York bij de Verenigde Natie over de Afrikaanse economie is gesproken. Secretaris-generaal Perez de Cuellar van de Verenigde Naties heeft vorige week in een rapport voorgesteld om concrete afspraken over "de aanhoudende crisis van tragische omvang' in Afrika te maken in plaats van vage intentieverklaringen.

Van Hulten is niet blij met het VN-rapport. “De secretaris-generaal van de VN veegt alles wat Afrika betreft op een grote hoop. Dan krijg je geen goed beeld. Schulden bijvoorbeeld. De totale schuld van Afrika bedraagt 270 miljard dollar. Maar 110 miljard dollar staat uit in de vijf noordelijke landen. De groei van de schulden gaat in de landen ten zuiden van de Sahara minder hard. Ik begrijp het wel. Perez de Cuellar wilde politiek opereren. Het gaat hem erom attentie van de wereld te forceren en dan moet je met cijfers komen die als een hamerslag werken”, aldus Van Hulten.

“De groei van de economie in de landen ten zuiden van de Sahara is ook beter. Zeven procent in de laatste vijf jaar, maar de waarde van de export is met 50 miljard gulden gedaald. Het Westen moet dus worden aangesproken op het feit dat de bevolking in Afrika door ons niet in staat wordt gesteld om zelf te sparen voor de nodige investeringen. Op die manier blijft het continent aangewezen op investeringen uit het Westen omdat het vanwege de slechte marktcondities zelf niet aan investeren toekomen. De afhankelijkheid blijft.”

Van Hulten verwijt de Coalitie dat zij zelf te weinig aan publiciteit doet. Hij begrijpt de huiver wel van de secretaris van GCA, Boubakar Diaby-Quattara uit de Ivoorkust, die eerst concrete resulaten van het overleg in de nieuwe denktank wil zien. “Maar”, zegt Van Hulten, “zo werkt de wereld niet. Je zult moeten tamboereren.”

Ondanks alle alarmerende rapporten over de trage vooruitgang in Afrika ten zuiden van de Sahara, ziet hij toch enige politieke verbeteringen. Van Hulten spreekt nog met het vuur van zijn eerste uur bij de PPR, de politieke partij die inmiddels is opgeheven. Zijn jarenlange verblijf in Afrika na zijn staatssecretarisschap bij Verkeer en Waterstaat heeft zijn engagement versterkt.

“Parlementen in Afrika worden de laatste tijd minder snel samengesteld door de stamhoofden en leiders van familie-clans. Plotseling vind je ook andere representanten van de bevolking. In een aantal landen wordt op het gebied van democratie vooruitgang geboekt. Zo kan er een proces op gang komen waarbij de tien procent van de bevolking die in een land de lakens uitdeelt en waarmee wij altijd om de tafel zitten als het om ontwikkelingshulp gaat, ook meer aandacht gaat besteden aan de negentig procent die tot voor kort overal buiten werd gehouden, ook als het om eigen lotsverbetering ging. In Benin is vooruitgang, Mali is op weg, de Ivoorkust, Zambia staat op een drempel, Tanzania is bezig, Zimbabwe al veel langer en ook Botswana.”

Hij verwacht veel van niet-gourvernementele organisaties die aan de basis de kwaliteit van het bestuur kunnen verbeteren. Daarvan is hij overtuigd ondanks het feit dat er bij Afrikanen zelf veel scepsis is over de mogelijkheid massa's wakker schudden voor hun eigen ontwikkeling als zij zo in beslag worden genomen door dagelijks overleven.

Binnen de GCA zelf bestaat overigens een fors verschil van mening om deze niet-gouvernementele organisaties voor de bijeenkomst in Parijs uit te nodigen. Een aantal Afrikaanse vertegenwoordigers voelt daar niets voor en ook de secretaris van de GCA en vertegenwoordigers van internationale organisaties verzetten zich daartegen. Minister Pronk is niet gevoelig voor hun argumenten. Hij brengt in zijn eigen delegatie vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties mee. "Ontwikkeling van onderop' moet naar zijn mening ook voor deze nieuwe denktank gelden.

Drs. M. van Hulten