Verjaagde PvdA-kiezers makkelijke prooi voor rechts

De PvdA-top is deze zomer van haar kiezers weggelopen als de klassieke overspelige echtgenoot: even een pakje sigaretten halen en nooit meer terugkomen. Vertrouwen is daarna moeilijk terug te kopen. De opiniepeilingen - een halvering van het aantal Kamerzetels - en de opzeggingen van vooral ook oude, trouwe leden, spreken boekdelen. Zo langzamerhand is dan ook niet alleen de vraag actueel wat er met de PvdA als regeringspartner gaat gebeuren, maar ook: hoe moet het verder moet met die grote groep verlaten PvdA-kiezers.

De discussie over de WAO heeft niet het zoveelste bezuinigingsplan in de rij als inzet. Alleen al in een stad als Amsterdam leeft ongeveer één op de zes huishoudens van een AAW-WAO-uitkering en in de oudere leeftijdsgroep van 55- tot 64-jarigen is dat zelfs één op de drie. Zoals alle zorgelijke zaken is ook de WAO ongelijk over de stad verdeeld. In sommige buurten is het percentage arbeidsongeschikten aanmerkelijk hoger dan in andere. Niet geheel toevallig zijn dit vaak dezelfde wijken waarin ook het werkloosheidspercentage hoger is, de inkomens lager zijn, waar meer buitenlanders wonen, waar de woonsituatie slechter is en de crimininaliteit groter. De twintigste eeuwse verzorgingsstaat heeft in die buurten altijd gefungeerd als een stabiliserende factor. Talloze sluimerende conflicten werden als het ware geblust met een dikke schuimlaag van sociale uitkeringen. Maar wat gebeurt er in die wijken als die laag dunner wordt en de contouren van harde tegenstellingen boven komen?

De WAO-voorstellen vormen ook een breuk met een sociaal-democratische traditie van bijna een eeuw. Daarin waren sociale voorzieningen altijd een recht en geen gunst. Alleen al door de proefballonnen van sommige politici het afgelopen jaar, de voorstellen van de SER en het geschuif van de laatste weken is er voor de betrokkenen een ongekende sfeer van willekeur ontstaan. Voor het eerst woei de echte kou van de bezuinigingen sommige huiskamers binnen, terwijl van de oude partij die buurtgenoten bond en inspireerde slechts een handvol tv-beelden van besloten conclaven en een weghollende partijvoorzitter restten. Op dit vlak waren de gebeurtenissen van de afgelopen zomer vooral in psychologische zin rampzalig. Voor de PvdA in het bijzonder, maar ook voor de politiek in het algemeen.

Loyaliteit is een prachtige, misleidende eigenschap, die maar al te vaak reële gevoelens van onbehagen bedekt. Want als de rek er bij de leden en de kiezers uit is en de breuk een feit, dan is er geen houden meer aan. In die "melt-down'-fase lijkt de PvdA nu terecht te komen.

De instabiliteit die dit met zich meebrengt zal zich op bestuurlijk gebied vooral in de grotere steden manifesteren. De PvdA heeft daar dikwijls dezelfde centrale positie als het CDA in de landelijke politiek, soms al meer dan een halve eeuw. Maar politiek zullen de grootste problemen allereerst in de volksbuurten van de grote steden ontstaan. Het leven in dit soort wijken is tegenwoordig met alle veranderingen en sluimerende conflicten, voor een eenvoudige Amsterdammer, Rotterdammer of Hagenees buitengewoon ingewikkeld geworden. Wie die complexiteit tot een simpel zwart-wit schema weet terug te brengen en handig inspeelt op de tegenstellingen die er heersen, scoort voor open doel.

De CPN had in veel oude stadswijken decennia die rol van protestpartij, vaak nog tot het midden van de jaren tachtig. Groen Links - de afgelopen weken vrijwel afwezig in de discussie - heeft die functie niet over kunnen nemen. D66 en de VVD, volgens de landelijk peilingen op dit moment de grote winnaars, bieden kiezers uit dit soort wijken te weinig herkenning om op grote schaal als alternatief te kunnen fungeren. Wat rest zijn het legioen van de niet-stemmers, de Centrumpartij en de Centrumdemocraten.

Die tendens is al jaren gaande. Het afgelopen decennium verdrievoudigde de aanhang van ultra-rechts in de Randstad. De vier grote steden leverden bij de laatste Kamerverkiezingen veertig procent van het totale aantal Janmaat-stemmers, hoewel deze gemeenten slechts 11,5 procent van het totale electoraat herbergen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 trok ulra-rechts in Amsterdamse wijken als Bos en Lommer en Geuzenveld-Slotermeer respectievelijk 14,3 en 13, 1 procent van de kiezers. In Osdorp en de Indische buurt schommelde het percentage rond de tien. In veel van dit soort wijken kwam het het opkomstpercentage nauwelijks boven de veertig uit.

De gestage groei van extreem rechts leidde na bijna iedere verkiezingsuitslag tot geschrokken reacties en beloften van bestuurders - onder andere B en W van Amsterdam - om het fenomeen nu echt eens goed te laten onderzoeken. Het is er nooit van gekomen. Het meeste materiaal dat beschikbaar is, dateert uit het begin van de jaren tachtig. Een paar zaken zijn echter wel duidelijk. In de eerste plaats zijn de kiezers op ultra-rechts geconcentreerd in bepaalde grotestadswijken. Uit alle analyses blijkt een overduidelijk verband tussen het aantal stemmen op ultra-rechts en de lage sociaal-economische status van de buurt. In die wijken hoeven niet altijd de meeste migranten te wonen - Amsterdamse stadsdelen met een hoog percentage migranten als Zuid-Oost, de Pijp, Oost en Oud-West scoorden bijvoorbeeld in 1990 ruim onder het stadsgemiddelde, en eenzelfde patroon was in Utrecht zichtbaar, maar in Rotterdam en Den Haag is bijvoorbeeld het verband weer heel duidelijk.

Een tweede fenomeen is de hoeveelheid kiezers die van PvdA en CPN naar ultra-rechts stroomt. Van oudsher vormen juist de bovenbeschreven wijken de traditionele bolwerken van de PvdA. Ook de schaarse gegevens op individueel niveau wijzen er op dat een belangrijk deel van de aanhang van ultra-rechts vroeger op een linkse partij stemde. Eén van de onderzoekers betitelde de PvdA al in 1982 als "hofleverancier van de Centrumpartij'.

Interessant in dit verband is een telefonische enquête die de Haarlemse Courant vorige jaar hield, na een oproep aan stemmers op de Centrumdemocraten om eens te vertellen wat hen bezielde. Van de bijna vijftig kiezers die belden, gaf een groot deel aan in het verleden op de PvdA te hebben gestemd. Het merendeel stemde dan ook niet op de CD uit overtuiging, maar vooral omdat men een appeltje had te schillen met de "eigen' partij, de PvdA, die in hun ogen de "zwakkeren' in de steek had gelaten en de buitenlanders had voorgetrokken - een patroon dat ook in oudere onderzoeken zichtbaar is.

Hoewel de gegevens van het Haarlemse onderzoek niet helemaal representatief zijn, geven ze als enige een recent beeld van de motieven van dit electoraat. Slechts ongeveer een derde bleek op de CD gestemd te hebben omdat men werkelijk niets van buitenlanders moest hebben. Voor de overgrote meerderheid fungeerden de buitenlanders vooral als illustratie van het onjuiste beleid van "de politiek' en "de partijtop'. Onderzoeker Joop Holsteyn in het blad Socialisme en Democratie: “Niet de buitenlanders hebben de schuld, maar de bedenkers en uitvoerders van een beleid dat buitenlanders lijkt te bevoordelen”.

De stap naar ultra-rechts wordt de laatste jaren voor veel vroegere PvdA-kiezers bovendien iets makkelijker nu deze partijen in hun propaganda steeds meer salonfähig worden. Het ordinaire, koloniale racisme valt maar zelden meer uit die hoek te beluisteren, men baseert zich nu vooral op het etnocentrisme. Voor veel kiezers ligt, zo valt te vrezen, de belangrijkste rem alleen nog bij doordringende penozesfeer waar het Janmaat-wereldje nog steeds niet van is losgekomen.

“Het racisme in West-Europa zal toenemen”, zo voorspelde de Britse socioloog Ralf Dahrendorf onlangs in deze krant. Dat komt volgens hem omdat grote groepen mensen het vertrouwen in hun eigen sociale positie hebben verloren. Dus geven ze anderen de schuld. Dahrendorf: “Allerlei zekerheden vallen weg. Veel mensen voelen zich onveilig. Dat is hèt recept voor geweld”.

Nederland is een gezegend land dat als leider van ultra rechts een Janmaat heeft. Een prettig ogende, goed gebekte Hollandse Le Pen is (nog) niet verschenen. Dat neemt niet weg dat op dit moment in bepaalde stadswijken precies dat sociaal-politieke recept wordt bereid waarover Dahrendorf het heeft: een combinatie van isolement, uitzichtloosheid en bitterheid over een economische achteruitgang, terwijl er geen politieke beweging meer is die bindt, motiveert en vertrouwen schept. Er begint een omvangrijk, gefrustreerd electoraat op drift te raken, en niemand weet waar dat heengaat.