Veel kritiek op Ritzen bij opening academisch jaar

ROTTERDAM, 2 SEPT. De koppeling tussen onderwijs en onderzoek houdt de gemoederen aan de universiteiten bezig. Dat blijkt uit verschillende redes die vandaag aan universiteiten zijn uitgesproken bij de opening van het academische jaar.

Veel bestuurders die vandaag spreken bij de aanvang van de academische lessen vrezen dat het karakter van het universitaire onderwijs wordt aangetast als de huidige verbinding tussen onderwijs en wetenschappelijk wordt aangetast. Tegelijk gaan zij er echter van uit dat in elk geval hun eigen universiteit zich in de toekomst als "onderzoeksuniversiteit' van de andere moet onderscheiden.

De ongerustheid is grotendeels het gevolg van de geleidelijke totstandkoming van onderzoekscholen, die dienen voor de tweede fase-opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker. Aan verscheidene universiteiten werd de gang van zaken rond de totstandkoming scherp bekritiseerd.

Dat was bijvoorbeeld het geval in Eindhoven, waar rector magnificus prof. dr J.H. de Lint zijn rede vervolgens echter wel grotendeels besteedde aan de onderzoekscholen waar zijn universiteit graag aan zou willen meedoen. De Lint reikte bij de opening van het academisch jaar ook de penning van verdienste van zijn universiteit uit aan zijn voorganger, prof. M. Tels. Deze trad eerder dit jaar af vanwege zijn betrokkenheid bij de affaire rond professor Buck en diens vermeende ontdekking van een middel tegen aids.

Veel bestuurders hielden hun gehoor voor dat onderzoekers voor wie geen plaats is in de onderzoekscholen, van groot belang blijven voor de universiteiten. Ook buiten de onderzoekscholen blijft er "toponderzoek' nodig en mogelijk. Zij vonden dat minister Ritzen (onderwijs) met zijn beleid op het punt van de onderzoekscholen onvoldoende rekening houdt met de grote verschillen tussen de wetenschapsgebieden. Ook werd hem verweten dat hij onrust had gezaaid door zijn "wilde en onbezonnen' gedachten over de onderzoekscholen waardoor het beeld is ontstaan van "eerste en tweede divisie'-onderzoekers.

Onder meer in Leiden en Utrecht werd zeer scherpe kritiek geleverd op Ritzen. Met name zijn pleidooi voor een cultuuromslag, zodat onderwijs een hogere prioriteit krijgt, werd onder vuur genomen. De minister weet niet waar hij over praat, meende in Leiden collegevoorzitter C.P.C.M. Oomen. Ritzen zou met zijn pleidooi “een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken” geven. En in Utrecht constateerde Oomens collega J.G.F. Veldhuis dat het Ritzen kennelijk ontgaan is dat in elk geval in Utrecht die cultuuromslag al enkele jaren geleden heeft plaatsgevonden.

Aan de Vrije Universiteit pleitte rector magnificus prof. dr C. Datema voor meer financiële waardering van medewerkers die zich toeleggen op het geven van onderwijs. Maar uit zijn voorbeelden bleek wel dat ze toch op een lagere trede moeten blijven dan degenen die zich met wetenschappelijk onderzoek bezig houden. Dat medewerkers zowel goed zijn in onderwijs als onderzoek is immers maar een zeldzaamheid, zo constateerde in Tilburg rector magnificus prof. dr L.F.W. de Klerk. Die fictie moet dan ook zo snel mogelijk worden verlaten, zo meent hij - uitbuiting van de sterke kanten van een medewerker leidt tot kwalitatief beter onderwijs en onderzoek.

Ritzen kreeg aan verscheidene universiteiten het verwijt niet consistent te zijn in zijn opvattingen over de onderwerpen die in het hoger onderwijs ter discussie staan. “Voor de minister hebben ze kennelijk iets weg van een zuurstok die van kleur verschiet elke keer als er aan gesabbeld wordt”, zoals Datema het formuleerde. Elders werd erop gewezen dat de minister roept dat meer aandacht voor het onderwijs nodig is, maar tegelijkertijd beslissingen waarin de nadruk juist ligt op het onderzoek. Volgens rector magnificus prof. dr J.H.A. de Smit in Enschede “dreigt de grote aandacht voor het onderzoek ten koste te gaan van die voor het onderwijs”. En in Wageningen noemde collegevoorzitter dr M.P.M. Vos “het afkeuringswaardig” dat, zoals hij aan zijn universiteit constateerde, “het uitvoeren van onderzoek als het hoogste goed wordt beschouwd en het geven van onderwijs als een corvee”.

Het dereguleringsbeleid van Ritzen heeft tot dusver alleen maar tot grotere en ingrijpender bemoeienis van de minister met de interne gang van zaken in de universiteiten geleid, zo klaagde menig bestuurder. Het recht van de minister om zich met de universiteiten bezig te houden werd niet weersproken en zelfs noodzakelijk bevonden. Volgens De Klerk in Tilburg heeft de overheid de taak en de plicht om te sturen. Maar dat dient op afstand te gebeuren.

Het gehoor in Groningen kreeg van de vertrekkende rector prof.dr L.J. Engels te horen dat er in de discussies over de universiteiten eigenlijk weinig nieuws onder de zon is. De mediaevist Engels vergastte de aanwezigen in het academiegebouw op een boeiend college over de totstandkoming en ontwikkeling van de universiteiten in de middeleeuwen. Daaruit bleek dat ook de oudste universiteiten het zonder steun en sturing door een overheid niet redden. Maar zowel de "spontaan' ontstane universiteiten als de universiteiten die door de overheid werden opgezet kregen de vrijheid om zelf over de interne gang van zaken te beslissen. “De daarvoor verworven zeer vergaande autonomie is verworven met medewerking van overheden die kennelijk de betekenis van die autonomie gemakkelijker hebben onderkend dan de onze.”

Plannen van minister "wild en onbezonnen'