Turken Bulgarije mogen zich niet in partij organiseren

ROTTERDAM, 2 SEPT. Een rechtbank in de Bulgaarse hoofdstad Sofia heeft vorige week geweigerd de Beweging voor Rechten en Vrijheden (DPS), met 23 (van de 400) parlementszetels de derde politieke organisatie van het land, als politieke partij te registreren - als gevolg waarvan de DPS niet zal kunnen deelnemen aan de parlementsverkiezingen op 13 oktober.

De weigering van de rechtbank berust, zo is onofficieel gezegd, op artikel 11 in de onlangs aangenomen grondwet. Dat artikel, een van de vele controversiële artikelen in de grondwet, verbiedt partijen die zijn gevormd “op een etnische, raciale of godsdienstige grondslag”. En omdat de DPS bekend staat als de beweging die de Turkse minderheid in Bulgarije vertegenwoordigt, mag ze niet.

Het is een forse tegenslag voor de Turken in Bulgarije en het is een forse tegenslag voor de democratie: de Turkse minderheid in Bulgarije, die in de laatste jaren van het socialisme zó hardhandig in een Bulgaars jasje werd gedwongen dat ze massaal op de vlucht sloeg, richting Turkije, telt altijd nog één miljoen zielen op een totale bevolking van negen miljoen. Een op elke negen Bulgaarse staatsburgers zich straks in het nieuwe Bulgaarse parlement niet vertegenwoordigd weten, want de andere Bulgaarse partijen hebben aan Turken geen boodschap - dat was juist een reden voor de oprichting van de DPS. En dat is geen veelbelovend begin op de lange weg naar de democratie, de tolerantie en een nieuwe politieke cultuur.

Vlak voor de uitspraak van de rechtbank heeft Turkije zich nog even ingezet voor de volksgenoten over de grens. In een brief aan zijn Bulgaarse collega Dimitur Popov liet de Turkse premier weten zich zorgen te maken over het lot van de DPS. Popov stelde hem gerust: er zou de DPS geen verbod boven het hoofd hangen. Drie dagen werd de premier gecorrigeerd.

Niet bekend

De uitspraak van de rechtbank is niettemin merkwaardig, omdat de DPS weliswaar speciaal opkomt voor de belangen van de miljoen Turken in Bulgarije, maar zich uitdrukkelijk open stelt voor niet-Turken. De beweging dan wel partij telt ook etnische Bulgaren onder haar leden (hoewel niet veel) en stelt zich ten doel “bij te dragen tot de eenheid van het Bulgaarse volk en tot het volledig en duidelijk naleven van de rechten en vrijheden van de mensheid en van alle etnische, religieuze en culturele gemeenschappen in Bulgarije”. Daar is geen woord Turks bij en dat maakt de beslissing van de rechtbank des te vreemder.

Maar de DPS is in de praktijk wel de partij van de Turkse minderheid: in het verkiezingsprogramma van vorig jaar werd opgeroepen tot Turkstalig onderwijs aan Turkstalige kinderen, tot facultatief onderwijs in de islamitische theologie aan Turkstalige kinderen, tot de heropening van oude en de bouw van nieuwe moskeeën, tot de stichting van regionale culturele instellingen als Turkse theaters en cultuurhuizen, tot afschaffing van uit de tijd van het socialisme daterende verbodsbepalingen op religieuze gebruiken en Turkstalige en islamitische literatuur en tot Turkstalige programma's in de media. Voor alles ijvert de DPS voor de terugkeer van de Turken die in de zomer van 1989 naar Turkije zijn gevlucht en voor de teruggave van hun indertijd achtergelaten huizen, grond, banen en bezit, een heet hangijzer in de etnisch gemengde gebieden van Bulgarije.

De DPS is ondanks haar kracht en omvang sinds de oprichting in januari vorig jaar een stiefkind gebleven in de Bulgaarse politiek. Voor noch na de verkiezingen van juni vorig jaar is de groepering van de charismatische 38-jarige Ahmet Dogan (in 1986 wegens verzet tegen de gedwongen assimilatie van de Turken tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld) door zowel de (ex-communistische) Bulgaarse Socialistische Partij (BSP) als de oppositionele Unie van Democratische Krachten (SDS) genegeerd of zelfs actief tegengewerkt. Toen al werd geprobeerd te verhinderen dat de DPS aan de verkiezingen zou meedoen. Er waren vorig jaar geen gemeenschappelijke politieke manifestaties en er zijn sindsdien geen wederzijdse consultaties met de DPS, een illustratie van de krachtige anti-Turkse vooroordelen in de Bulgaarse samenleving en van het feit dat een eigen politieke vertegenwoordiging geen overbodige luxe voor de Turken is. Nog altijd kan de DPS haar tweetalige weekblad Prava i Svobodi (Rechten en Vrijheden) maar met moeite verspreiden, omdat de centrale (staats)distributiemaatschappij daar geen medewerking aan wil verlenen.

Dogan legt zich voorlopig niet neer bij de weigering van de rechtbank, zijn partij toe te laten. Hij heeft de beslissing veroordeeld als ondemocratisch en als een bewijs dat de rechtspraak nog altijd niet onafhankelijk is en wil de verkiezingen boycotten als de Hoge Raad in hoger beroep de uitspraak niet alsnog ongedaan maakt. Of dat gebeurt is de vraag. Artikel 11 is namelijk volgens velen in Bulgarije alleen maar in de grondwet gezet omdat er een DPS was die tot zwijgen moest worden gebracht. Bulgarije is voor de Bulgaren, dat vond Todor Zjivkov al en dat vinden velen in Bulgarije, socialisme of geen socialisme, nog altijd.