Studenten op leeftijd: eenlingen tussen kinderen

Vandaag openen de eenentwintig universitaire instellingen die Nederland rijk is hun deuren weer. Vele duizenden jongeren zetten zich aan de studie of vervolgen die. Ook Piet Kranenberg (73), Ursula Maas (63) en Jan Rolsma (56) staan klaar om het leerwerk opnieuw op te vatten terwijl ze alle drie al een lang en arbeidzaam leven achter de rug hebben. Kranenberg was directeur van de Heineken Brouwerij in Amsterdam en bestuurder van heel wat instellingen; Ursula Maas werkte als logopediste en kunstschilder; Jan Rolsma was lange tijd teken- en biologieleraar aan een middelbare school. Hij ging twee jaar geleden Nederlands studeren in Leiden.

Voor hem is dat een fulltime-bezigheid. Hij besteedt er ongeveer veertig uur per week aan. “Ik hield het in het onderwijs niet langer uit”, vertelt hij in zijn piepkleine werkhokje met al zijn boeken en collegedictaten om zich heen. “Ik raakte er compleet gestressed van. Met het gevolg dat ik tenslotte definitief werd afgekeurd. Mijn dochter zei toen: "Je was altijd zo'n leestype. Waarom ga je geen Nederlands doen?' Dat deed ik - ik houd nu eenmaal niet van vissen en je moet toch wat - maar het viel me bepaald niet mee. Als oudere werkt je geheugen namelijk niet zo goed meer. Al dat stampwerk valt me zwaar. En wat me verder in de collegebanken tegenviel is die voortdurende wisseling van vakken. Elke uur een andere professor.”

College lopen hoefde Ursula Janse-Maas, vrouw van een journalist die vijftien jaar in het buitenland, in Bonn en Londen, was gestationeerd, niet. Ze volgde - en doet dat nog altijd - schriftelijk onderwijs aan de Open Universiteit. Eerst in Londen waar ze, zo vertelt zij vol trots een BA-graad (Bachelor of Arts) in een combinatie van cultuur- en kunstgeschiedenis en filosofie heeft gehaald en nu aan de Nederlandse Open Universiteit, die in Heerlen gevestigd is. Volgens haar zijn het juist zulke "luxestudies' als filosofie waaraan ouderen van boven de vijftig en zestig behoefte hebben. “Vooral omdat je op die leeftijd doorgaans niet meer uit bent op economische lotsverbetering. Dan kun je het je veroorloven de studie echt als Wert an sich te beschouwen.”

Voor Piet Kranenberg lag de motivatie weer anders. Hij stond al eens eerder als student ingeschreven. In 1937 zou hij economie in Rotterdam gaan studeren, maar hij besteedde al zijn tijd aan het studentenleven en was onder meer rector van het studentencorps. “Van de studie kwam geen lor terecht. Ik geloof dat ik toen nooit een collegezaal van binnen heb gezien. Dat ik na mijn carriëre bij Heineken, toen ik allang gepensioneerd was opnieuw naar de universiteit ben gegaan, had onder meer te maken met mijn verlangen om toch niet die gesjeesde student van vijftig jaar geleden te zijn. Daarom ben ik echt als een kind zo blij als ik voor een tentamen slaag en een goed cijfer haal. Mijn kinderen die allemaal succesvol gestudeerd hebben, vinden me gek dat ik nu studeer; ze zien dat als mijn zoveelste aberratie maar ik ben nu eenmaal een nogal bezige man.” Een andere reden waarom Kranenberg aan de studie ging was dat hij als bedrijfsdirecteur geïnteresseerd geraakt was in arbeidsverhoudingen. Ook de geschiedenis van de vakbeweging intrigeert hem. “Toen ik eens met Gevers (voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit in Amsterdam) in China was, vertelde ik hem dat. Terug in Amsterdam heeft hij mij toen bij professor De Rooy geïntroduceerd en die heeft speciaal voor mij een studiepakket samengesteld van de politieke en economische geschiedenis van 1800 tot 1960. Zwaar die is die studie niet. Ik besteed er inclusief de colleges en werkgroepen zo'n vijf uur per week aan, maar ik kan er dan ook geen titel mee halen. Dan zou ik echt ingeschreven moeten staan, alle colleges moeten volgens en alle tentamens moeten doen. Zo is het wel goed hoor; het kost me per jaar twaalfhonderd gulden voor twee modules plus nog ongeveer zeshonderd gulden aan studieboeken.”

Voor althans deze drie studenten-op-leeftijd geldt dat ze in eenzaamheid studeren. Ursula Maas mist het contact met medestudenten erg, maar beseft best dat dat nu eenmaal inherent is aan schriftelijk studeren. “Nadat we terug waren uit Engeland was ik het liefst filosofie-in-deeltijd in Utrecht in de avonduren gaan doen. Juist ook wegens het sociale contact met anderen. Maar het vooruitzicht van tijdrovende treinreizen naar Utrecht vond ik zo weinig aanlokkelijk, dat dat me ervan heeft weerhouden. Bovendien zou ik dan ook weinig tijd hebben overgehouden voor mijn andere hobby: mijn grafiekstudie aan de Vrije Academie in Den Haag.” De Open Universiteit bevalt haar maar matig. Vooral als zij die met de Open University in Engeland vergelijkt. “Daar had je een veel straffere organisatie, veel meer een no nonsense aanpak. Daar ben ik gelukkig ook bewaard gebleven voor die eigenaardigheid in Nederland dat je in een vak als filosofie via multiple choice wordt geëxamineerd. Verder is het contact met studiebegeleiders een ongemakkelijke zaak; je kunt ze nauwelijks verstaan want ze spreken daar in Heerlen allemaal met een zachte g”.

Als oudere voelt Piet Kranenberg zich een eenling "onder al die kinderen' aan de universiteit. “Op college heb ik nooit iemand van mijn generatie gezien, behalve één keer een heer van een jaar of vijftig”. De sfeer onder studenten noemt hij serieus, bloedserieus. “'t Is net een schoolklas. Iedereen werkt verrekte hard; niemand slabakt. Met studentes valt niks te grappen. Natuurlijk vragen ze zich wel eens af wat dat voor een man is, die figuur in een pak, met das. De politicologie-faculteit is denk ik nog behoorlijk links, maar vervelend is dat niet. Ze gaan beleefd met je om; zij zeggen u tegen mij en ik tegen hun. Waarschijnlijk zien ze mij als een echte VVD-er, maar dat ben ik dan ook”.

Student Nederlands Jan Rolsma houdt er wat zijn plaats in de faculteit betreft de stelling op na dat men niet straffeloos een domein kan betreden waar men (“in mijn geval qua leeftijd”) niet thuishoort. Hij poneerde die in zijn eerste jaar bij het college retorica. “Ik heb ze uitgelegd dat ik altijd moet laveren tussen uitersten. Dat je je als oudere niet helemaal op jezelf moet terugtrekken maar dat je je ook niet moet opdringen en niet al te intensief met jongeren moet willen omgaan. Dat gaat niet. Dan wordt het te jolig; daarom ga ik ook nooit met ze mee het café in zoals na een tentamen gebruikelijk is.” Zo zijn er meer dingen die Rolsma soms het gevoel geven een verdwaalde oudere vreemdeling en mogelijk een ouwe zeur te zijn.

Bijvoorbeeld dat hij zich er aan ergert dat sommige studenten tot acht minuten na het begin van een college nog onbeschroomd binnenkomen of door blijven praten als een docent iets uitlegt of eindelijk wil beginnen. Maar er kleven ook voordelen aan een studie op latere leeftijd. “Zo hoef ik mij”, zegt Rolsma, “er natuurlijk geen zorgen over te maken hoe ik aan mijn geld kom. Aan collegegeld, boeken, syllabi en reizen kost de studie me ruim drieduizend gulden per jaar. Ik kan dat wel betalen. Ik hoef niet in een supermarkt te gaan werken om wat bij te verdienen. Verder hoef ik in Leiden ook niet op zoek te gaan naar een studentenkamer of naar een geschikte partner.”

Rolsma meent bovendien dat docenten profijt van hem kunnen hebben. Er zijn hoogleraren die prachtig college geven, maar andere docenten hebben soms nauwelijks enige onderwijservaring. “Doordat ik zelf zo lang voor de klas heb gestaan, kan ik ze wel eens een suggestie doen of een tip geven hoe zij wat ze te zeggen hebben, wat boeiender naar voren kunnen brengen.”