Steeds verder escaleert de Joegoslavische crisis

De crisis in Joegoslavië escaleert steeds verder. In militair opzicht, omdat de diverse partijen zich steeds meer bewapenen en omdat de vele militaire groeperingen die op dit moment bestaan, zich aan elke politieke controle onttrekken. Dat heeft geleid tot een militarisering van de crisis, wat betekent dat zogenaamde militaire overwinningen bepalend worden geacht voor de politieke toekomst van Joegoslavië.

Dat is een rampzalige ontwikkeling, die ertoe kan leiden dat een militaire interventie van buitenaf noodzakelijk wordt, omdat de inzet van militaire macht uiteindelijk de enige taal is die in Joegoslavië nog zal worden verstaan. Het ultimatum van de Kroatische president Tudjman, dat als het Federale leger niet voor 31 augustus het Kroatische grondgebied zou verlaten, er een beslissende strijd zou worden gevoerd, heeft een totale oorlog in Kroatië nog waarschijnlijker gemaakt. Nu het leger dit ultimatum naast zich neer heeft gelegd dreigt het begin van een catastrofe. De vroegere generaal Tudjman moet weten dat Kroatië een dergelijke oorlog niet kan winnen. Bovendien geeft hij daarmee aan alle gewapende Servische guerrillastrijders een reden om in Kroatië hun activiteiten te verhevigen. De oorlogssituatie zal er dan toe leiden dat de Kroatische bevolking in de Kroatische regio's waar veel Serviërs wonen (Slavonija, Banija en Krajina) dreigt te worden uitgemoord.

Ook in politiek opzicht escaleert de crisis omdat de tegenstellingen, ondanks de vele ontmoetingen van de politieke vertegenwoordigers van de republieken alleen maar zijn toegenomen. Het Staatspresidium is een farce geworden en heeft geen enkele invloed meer. Het zou uit zes leden in plaats van uit acht dienen te bestaan, aangezien Servië de politieke autonomie van Vojvodina en Kosovo heeft afgeschaft. Hun stemmen worden nu echter bij die van Servië en Montenegro geteld. Nu ook duidelijk is dat het leger president Stipe Mesic - een Kroaat - niet gehoorzaamt, heeft het presidium geen enkele reële macht meer. De feitelijke politieke macht berust bij de presidenten van de republieken.

Het lijkt dat in de algemene chaos in Joegoslavië al lang vergeten is wat de oorsprong van de militaire en politieke confrontatie was. Op zijn minst bestaan er twee verschillende definities van het politieke probleem in Kroatië. De Serviërs in Kroatië vinden dat zij bedreigd worden door de Kroatische nationalistische regering, die wordt beschouwd als een neo-ustasa-bewind dat mogelijk opnieuw massamoord op Serviërs zal plegen - net als in de Tweede Wereldoorlog. De Kroaten vinden dat Servië probeert Kroatisch gebied in te lijven. De oplossing is dat de aan beide kanten bestaande vrees wordt weggenomen.

De Kroatische president Tudjman zou kunnen beginnen met de vrees van de in Kroatië wonende Serviërs serieus te nemen en dat ook te laten blijken door bijvoorbeeld daarover rechtstreeks met de vertegenwoordigers van de Servische minderheid in Kroatië te gaan praten en niet met Milosevic. Hij heeft dat geprobeerd. In de zomer van 1990 heeft hij een gesprek gevoerd met dr. Jovan Raskovic, de voormalige leider van de Servische Democratische Partij (SDS). Uit de tekst van dat gesprek (gepubliceerd in het weekblad Danas) blijkt dat de culturele en politieke autonomie van de Serviërs in Kroatië van cruciale betekenis was voor de mogelijke stabilisatie van de - toen alleen nog - politieke crisis. Tudjman zag geen probleem in het geven van culturele autonomie, maar kon geen politieke autonomie toezeggen omdat dat zou betekenen dat Serviërs het recht zouden krijgen om zich af te scheiden en bij Servië aan te sluiten.

Hetzelfde probleem leidde toen tot ernstige conflicten in Kosovo, waar Servië de politieke autonomie van Kosovo afschafte uit vrees dat Kosovo zich van Servië zou afscheiden. Het was niet onbegrijpelijk dat Tudjman niet aan Serviërs wilde toestaan wat Servië aan Kosovo ontnam: van politieke autonomie kon geen sprake zijn. Desondanks zouden Kroatische en Servische leiders in Kroatië kunnen onderhandelen over de precisering van wat culturele autonomie en ook politieke autonomie binnen Kroatië zou kunnen inhouden. Het onderhandelingsproces zelf zou bovendien al veel van de bestaande grieven kunnen wegnemen.

In de verdere onderhandelingen tussen de Kroaten en de in Kroatië wonende Serviërs zou ook contact gezocht moeten worden met de democratische en liberale fracties onder de Servische bevolking om hen ertoe te brengen directe onderhandelingen zonder toezicht van Belgrado te beginnen. Dat is een ernstig probleem omdat er door de verscherping van de Servische en Kroatische tegenstellingen weinig ruimte meer bestaat voor de opvattingen van "andersdenkenden'.

De hoge werkloosheid en toenemende armoede doen Joegoslavië snel vervallen tot vruchtbare voedingsbodem voor radicale ideologieën. De meeste kansen hebben fanatici die simpele oplossingen op korte termijn beloven: het geduld is op. Wat nodig is, is een hoopvol toekomstperspectief.

Dat hebben zij van de EG niet gekregen. De EG-missies hebben in Joegoslavië aanvankelijk veel hoop gewekt. De EG kan echter nog steeds een belangrijke rol in Joegoslavië spelen, in de eerste plaats door rechtstreeks contact op te nemen met de in politiek opzicht belangrijkste partijen en met de leiding van het federale Joegoslavische leger dat zich aan de politieke leiding heeft onttrokken en waarvan de positie in het politieke krachtenveld sindsdien onduidelijk is.

Vaak wordt het afgeschilderd als een door Servië gedomineerd leger dat feitelijk allang partij heeft gekozen. Aan de andere kant was het behoud van de federatie niet alleen de officiële politiek van Milosevic en het federale leger, maar het was ook de positie van de EG. Er is daarom alle reden - en een goede mogelijkheid - om met het leger rechtstreeks contact op te nemen. Als het tot enige samenwerking komt tussen westerse militaire experts en het leger, is al veel bereikt.

Er is meer reden dan ooit de bemiddelingspogingen door de EG te intensiveren. Het zou daarom beter zijn als de EG niet drie ministers maar drie vooraanstaande politici zou benoemen om zich permanent met de Joegoslavische crisis bezig te houden, daarin gesteund door een staf van deskundigen. Het bieden van hoop en uitzicht op een betere toekomst, en van herstel van een toenemend door oorlog verwoest land, zal een vereiste zijn voor het slagen van verdere bemiddelingspogingen door de Europese Gemeenschap.