Sociale zekerheid

Het interview met CNV-voorzitter Hofstede (NRC Handelsblad, 28 augustus) illustreert de juistheid van het artikel van P.A. Koppen in dezelfde krant.

Een fundamentele grondslagdiscussie over de sociale zekerheid in Nederland zal moeten gaan over de veranderde arbeidsverhoudingen tussen de seksen en de gewijzigde maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Uit Koppens bijdrage blijkt dat er bepaalde verouderde en seksistische vooronderstellingen ten grondslag liggen aan het huidige stelsel. Dat zulke opvattingen ook ng "leven' bij de deelnemers aan de discussie over de toekomst van de sociale zekerheid blijkt uit de woorden van Hofstede. Het bedaagde imago van het CNV verbergt in werkelijkheid een radicaal conservatisme. Dit is waar de strijd om het behoud van de WAO zich bij de (christelijke) vakbeweging op richt: de (kostwinnende) "bonafide werknemers', die voorheen een arbeidsinkomen van ruim boven het sociale minimum hebben genoten. Zij hebben hun WAO-uitkering echt verdiend door jarenlang premie te betalen. Wie dat niet hebben? Dat zijn de jongeren, vooral de tweeverdieners, en de herintredende vrouwen. Zij verdienen helaas echter zo weinig dat - hoewel zij de enige "profiteurs' zijn volgens Hofstede - er op hen niet (meer) te bezuinigen valt.

Hofstede vergeet dat de WAO de laatste jaren betaalbaar is gebleven dankzij de stijging van het aantal mensen dat betaald (in deeltijd) werkt. De vrijwillige herverdeling van betaald en onbetaald werk, die veel tweeverdieners hebben bewerkstelligd door part-time te gaan werken, heeft daaraan een substantiële bijdrage geleverd.

De voorstellen die worden besproken over de ZW- en WAO-uitkeringen hebben (ook) ingrijpende gevolgen voor de positie van vrouwen die op de arbeidsmarkt willen participeren en van hun partners. Criteria als "leeftijd' en "duur van het arbeidsverleden' zijn ongunstig voor jongeren (onder wie de meeste tweeverdieners) en herintredende vrouwen. De onbeloonde arbeid van vrouwen en mannen die het "goede' gezin in stand houden door een deel van hun arbeidstijd te besteden aan de verzorging en opvoeding van kinderen wordt door de politiek zodoende weer beloond met een harde financiële afstraffing. De grondslagendiscussie waar Koppen op aandringt, moet dus gaan over de vraag wie wel of niet hoeft te werken, èn over de vraag wie wel en niet màg werken en daarbij een onafhankelijk en persoonlijk recht op sociale zekerheid màg opbouwen.