Riga ademt op: de Omon is weg

RIGA, 2 SEPT. Weinig Letten twijfelen er aan dat het nog mis kan gaan met de Letse onafhankelijkheid. Maar angst heeft er nog tot zaterdag bestaan, angst voor erupties van terreur door "duistere krachten'. En wie in Riga duistere krachten zegt bedoelde de "zwarte baretten', de OMON-troepen van het Sovjet-ministerie van binnenlandse zaken.

In de dagen van de staatsgreep, twee weken geleden, maakten de zwarte baretten hun laatste slachtoffers: op dinsdag toen zij in Riga het vuur openden op een busje waarbij zij de bestuurder dodelijk troffen, en op woensdag toen zij bij een aanval op het parlementsgebouw in Vilnius een man doodden. Eerder zijn zij verantwoordelijk gehouden voor de dood van zestien Litouwers, afgelopen januari bij de bestorming van het televisiegebouw in Vilnius, en voor de dood van vijf Letten bij een overval op het Letse ministerie van binnenlandse zaken, een week na het geweld in Vilnius.

Over de zwarte baretten doen de wildste verhalen de ronde. Het zou een bende door Moskou gesteunde criminelen zijn die zich onder invloed van drank en drugs uitleeft in orgies van geweld. Weinig informatie valt te verifiëren. Maar op basis van publikaties in Letse kranten en gesprekken met ingewijden valt een voorzichtige reconstructie te maken van de "heldendaden' van de Letse OMON-afdeling in de afgelopen jaren.

Een decreet, eind 1988 uitgevaardigd door het Sovjet-ministerie van binnenlandse zaken in Moskou, vormde de basis voor de OMON-eenheden die nadien onder meer zijn opgericht in Litouwen, Letland, Kirgizië en Leningrad. Hun taak was drieledig: orde handhaven bij massademonstraties, anarchie voorkomen in geval van natuurrampen en georganiseerde misdaad bestrijden. De "zwarte baretten' zouden vallen onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Sovjet-ministerie en het republikeinse ministerie van binnenlandse zaken. In de praktijk vielen ze onder het bevel van republikeinse autoriteiten, met uitzondering van de eenheden in de Baltische landen, die onder Moskou zijn blijven vallen.

De Letse autoriteiten maakten eind 1988 gretig gebruik van de door Moskou geboden mogelijkheid een elitekorps op te richten. De honderdvijftig best getrainde leden van het politiekorps werden ondergebracht in deze nieuwe eenheid. Een groot aantal van hen was veteraan van de oorlog in Afghanistan, wat binnen het korps leidde tot een sfeer van “alles kan, alles mag”, aldus de Letse krant Atmoda.

Bij gebrek aan massademonstraties of natuurrampen stortte OMON zich in Riga op de georganiseerde misdaad, met een bijzondere voorkeur voor de strijd tegen de illegale handel in sterke drank.

Hun dienstrooster van "24 uur op en 48 af' zou er de oorzaak van zijn geweest dat OMON-manschappen al snel er een baantje bij namen, waar toe zij de particuliere bewakingsdienst Viking, een zuiver commercieel bedrijf, oprichtten. In OMON-uniform, met OMON-wapens en in OMON-voertuigen begeleidden zij onder meer geldtransporten van nieuw gestichte coöperatieve ondernemingen om ze te beschermen tegen plaatselijke mafia-groepen. Van de opbrengst van de Viking zouden de zwarte baretten zelfs een sauna hebben laten aanleggen in overigens zeer schamele barakken.

Mede door de Viking-activiteiten ontwikkelde OMON zich steeds meer tot een legertje in een "leger'. De verhoudingen tussen OMON-leiding en de Letse autoriteiten werden moeizaam en gespannen. Niettemin ontpopte OMON zich in mei 1990 als de redder van het Litouwse onafhankelijkheidsstreven - een ironische speling van het lot, zoals later zou blijken. Op 15 mei 1990 probeerde een groep Sovjet-officieren, bijgestaan door kadetten van de militaire academie in Riga het parlementsgebouw te bezetten teneinde een aan Moskou loyaal bewind in het zadel te helpen. De "putschisten' reageerden daarmee op de onafhankelijkheidsverklaring die elf dagen eerder in het Letse parlement was aangenomen. De coup mislukte dankzij de bescherming van het parlementsgebouw door de zwarte baretten.

De regering van Letland maakte in die dagen een kapitale fout door de OMON-manschappen niet uitgebreid en openlijk te eren voor deze heldendaad, aldus wordt in een der kranten de juriste Vilma Upmace geciteerd, die de rol van OMON in de Baltische landen onderzoekt in opdracht van het Openbaar Ministerie in Riga. De frustaties onder de zwarte baretten, die toch al last hebben van een "vreemde-eend-syndroom', namen toe.

Tezelfdertijd voegde Moskou een officier aan het Letse OMON-korps toe die tot taak kreeg het verband te onderzoeken tussen "georganiseerde misdaad en ontluikend fascisme'. Waarnemers in Riga houden het er echter op dat deze functionaris, Andrej Tsjetski, een KGB-officier met acht jaar ervaring in Cuba, was gestuurd door Sovjet-minister van binnenlandse zaken Boris Pugo om OMON los te weken uit Letse handen en volledig onder gezag van Moskou te brengen.

In september 1990 nam het Letse parlement een verklaring aan waarin het gezag van de door Moskou benoemde openbare aanklager nietig wordt verklaard en de oprichter van een Lets Openbaar Ministerie wordt aangekondigd. De justitieële Sovjet-autoriteiten in Riga huurden daarop, uit angst dat dat hun gebouw zou worden geblokkeerd door de Letse politie, een particuliere bewakingsdienst in: Viking. De Letse minister van binnenlandse zaken Aloizs Vaznis reageerde woedend: hij ontbond per decreet Viking en meldde Pugo Pugo dat hij niet langer mede-verantwoordelijk kon zijn voor een politie-eenheid die zich tegen het Letse gezag had gekeerd. Een nieuwe tactische fout: op 5 oktober plaatste Pugo de Letse OMON-eenheid rechtstreeks onder Moskou.

Voor de commandant van OMON, de 21-jarige Afghanistan-veteraan Edgars Limars, was dit het teken om de eenheid te verlaten. Van de oorspronkelijke opdracht, georganiseerde misdaad bestrijden, was weinig meer overgebleven. Limars wenste in zijn eigen Letland niet te worden misbruikt als speelbal van de conservatieve Moskouse Pugo-clan.

Binnen OMON ontbrandde vervolgens een machtsstrijd tussen de Limars-getrouwe manschappen en collega's die onder de invloed zijn geraakt van "KGB-Raspoetin' Andrej Tsjetski. Moskou beslechtte die strijd met een zuivering. Dertig zwarte baretten van de lijn-Limars werden naar Azerbajdzjan gestuurd. Tsjetski's vertrouweling Czeslaw Mlinnik nam de leiding over. De Letse autoriteiten moesten hulpeloos toezien hun zelfgebaarde monstertje van Frankenstein op eigen benen was komen te staan.

Nadien is al het kwaad in Letland op rekening van OMON geschreven, waarbij de grens tussen waarheid en legende moeilijk te trekken valt. Vast staat dat OMON een rol heeft gespeeld bij het geweld van januari en bij de augustus-coup; iedereen heeft de zwarte baretten in actie kunnen zien. Aannemelijk is ook dat OMON in Letland en in Litouwen, verantwoordelijk is voor het aftuigen van eigen Baltische grensbewakers en het in brand steken van pas opgerichte grensposten. Minder hard zijn de verdenkingen dat de manschappen inmiddels betrokken zijn geraakt bij drugshandel en gevoelig zouden zijn voor het grote geld van de mafia-bazen waartegen zij als "Vikingen' aanvankelijk de strijd hadden aangebonden. Geruchten als deze worden gevoed door de moord op een ex-OMON-lid en ex-directeur van Viking, Sergej Krotov, die eind juli in een buitenwijk van Riga met een schot in het achterhoofd werd gedood. “Als dat geen mafia-praktijken zijn”.

Inmiddels heeft de nieuwe Sovjet-minister van binnenlandse zaken aangekondigd dat OMON wordt ontbonden en dat de manschappen ten spoedigste de Baltische landen verlaten. Zaterdag vertrokken ze, in stijl: uitdagend, rookbommen gooiend naar journalisten, obscene gebaren makend naar de Letten, zwaaiend met de communistische Letse vlag. “We komen terug,” zo riepen ze. Het valt te betwijfelen. Hun bestemming zaterdag was Tjoemen, de oliestad in Siberië, waar ze zullen worden ingezet bij de bestrijding van de zware criminaliteit.