Kroatië; een vreedzame staat die door wil vechten

ZAGREB, 2 SEPT. In het plaatsje Velika Gorica, vlabij het vliegveld van Zagreb, is zaterdagmiddag plotseling grote bedrijvigheid bespeurbaar. Kroatische Nationale Gardisten worden met bussen aangevoerd en verdwijnen in de korenvelden rond het vliegveld. Bewoners bereiden zich, in opdracht van het gemeentebestuur, op een bombardement voor en versterken hun kelders met zandzakken. Hoog in de lucht zijn straaljagers zichtbaar, en rond het vliegveld wordt geschoten. In een straat die daarheen leidt, halen personen in burger wapens uit een garage en betrekken stellingen. Een persoon met een identiteitskaart van het Kroatische ministerie van defensie voorkomt dat zij ons vertellen, waarom het nu eigenlijk allemaal gaat.

Het is de opmaat tot een weekeinde, waarvan veel Kroaten het begin van een volwaardige oorlog tussen Kroatië en het Joegoslavische leger hadden verwacht, maar dat eindigde in weer een nieuw staakt-het-vuren en tevredenheid van de zijde van de Kroatische politieke leiding, die zich door de Europese Gemeenschap bijna als onafhankelijke staat erkend waant.

Het schieten rond het vliegveld houdt na een uurtje op, maar het zal nog tot ongeveer middernacht duren voordat de Kroatische media laten doorschemeren wat er op het vliegveld aan de hand is: niet een dreigend aanval van het Joegoslavische leger op de Kroatische hoofdstad Zagreb, zoals eerst gemeld, maar de aanhouding door de Joegoslavische luchtmacht van een Oegandees vliegtuig met negentien ton, naar alle waarschijnlijkheid voor Kroatië bestemde wapens. Volgens het Joegoslavische leger hebben de Kroaten een poging gedaan het toestel met zijn voor de Kroatische oorlog tegen de Serviërs kostbare lading weer in handen te krijgen, nadat het - op weg naar Ljubljana - door jagers van de basis Zagreb tot landen was gedwongen.

De officiële geheimzinnigheid rond het incident lijkt de uitdrukking van het dilemma waarvoor Kroatië zich dezer dagen gesteld ziet: enerzijds het streven naar internationale erkenning als een fatsoenlijke, vreedzame staat die hulp van buitenaf nodig heeft tegen de veroveringsoorlog door de Servische minderheid die wordt gesteund door legeronderdelen. Anderszijds de noodzaak tot verdediging tegen die Servische opmars, zoniet herovering van thans verloren gebieden. Want het is de Kroatische politici, en met name degenen onder hen die op regionaal niveau leiding geven aan de Nationale Garde, een doorn in het oog dat de komst van EG-waarnemers en onderhandelingen met Servië nu als uitgangspunt zullen hebben dat Kroatië een derde tot de helft van zijn territorium inmiddels feitelijk niet meer als het zijne kan beschouwen.

Hoe succesvol de Servische opmars is, blijkt op het politiekantoor van de industriestad Karlovac, eerder door Servische extremisten tot een toekomstige grensstad tussen Servië en Kroatië verklaard. Ivan Stajduhar, hoofd van de politie voor de provincie, laat op de kaart zien dat de gewapende Serviërs in de afgelopen weken zo'n tachtig kilometer naar het noorden zijn opgerukt. Hun eerste barricades, waar dagelijks wordt gevochten, bevinden zich nu zo'n vijf kilometer voor de stad. De Kroaten hebben hun laatste post in het natuurpark Plitvice, die zij sinds mei hadden verdedigd, drie dagen geleden moeten opgeven. “Ik begrijp niet”, zegt de politiechef, in de wetenschap dat de helft van zijn voormalige korps aan Servische kant tegen de vroegere, Kroatische collega's vecht, “dat Europa ons niet actiever ondersteunt”.