In het Olympische jaar wordt het allemaal sneller en verder; De vier snelsten zwepen elkaar op

TOKIO, 2 SEPT. Carl Lewis, de ster van de wereldkampioenschappen atletiek in Tokio, kondigde het aan. Na zijn tweede gouden medaille en opnieuw een verbeterd wereldrecord was hij op de slotdag weer spraakzaam en opportunistisch. In het Olympische jaar 1992 wordt het allemaal nog sneller en nog verder. Lewis neemt nu al rust. “Wat hier is gebeurd kan ik op dit moment toch niet overtreffen.” Hij gaat zich daarom voorbereiden op de “ongelooflijke Olympische wedstrijden”.

Na het wereldrecord van 9,86 op de 100 meter en de 8 meter 95 bij het verspringen zorgden de Amerikanen gisteren voor een snelste tijd op de 4 x 100 meter, dat dit jaar al tweemaal eerder was verbeterd. Andre Cason, Leroy Burrell, Dennis Mitchell en Carl Lewis hadden er 37,50 seconden voor nodig. Nog altijd zijn de wissels niet van een vloeiende perfectie en moet het beter kunnen. “We hebben de snelste mensen en de snelste benen en we kunnen meer”, pochte Lewis.

Hij richt zich komend seizoen in elk geval op de negen-metergrens bij het verspringen en de ploeggenoten van de estafette onthulden ook hun doelen. “De 9,86 is snel maar niet snel genoeg. Sorry Carl”, zei Burrell. “Een gouden medaille mag je houden, records worden gevestigd om gebroken te worden”, zei de jonge Cason. En Mitchell daagde zijn landgenoten, met wie hij even een team moest vormen, uit met de opmerking: “Ik kijk er naar uit om Carls wereldrecord te verbeteren. Als je tevreden bent met wat je bereikt heb moet je met pensioen gaan. ”

Hun optreden na de gouden estafette was geforceerder dan de race zelf. In een lacherige sfeer werden speldeprikjes uitgedeeld. Samen zijn de vier de snelsten ter wereld, individueel kunnen ze elkaar opzwepen tot onbekende hoogte. Lewis maakt oorlog met Mitchell en Cason omdat hij pas echt boven zichzelf uitstijgt als hij geïrriteerd raakt door zijn omgeving. Hij beschouwt Burrell als een vriend, maar haat het wanneer die wereldrecordhouder is. Het zou een klap voor de atletiek zijn als Lewis echt sympathiek zou worden.

Zijn grandioze laatste 100 meter was gisteren in de estafetterace een kwestie van afrekenen met het verleden. In 1988 voor de Olympische Spelen van Seoul lag Lewis overhoop met de Amerikaanse sprint- en estafettecoach Russ Rogers. De laatste wilde Lee McNeil, wiens zakelijke belangen hij vertegenwoordigde, opstellen in de voorronde van de 4x100 meter. Lewis was tegen, maar stemde er na veel geharrewar mee in omdat "zijn keus', Joe DeLoach, in elk geval de finale zou lopen. Het kwartet van de Verenigde Staten kwam zo ver niet. De wissel tussen Calvin Smith en uitgerekend McNeil liep verkeerd. Het team werd gediskwalificeerd. “Dank zij een mislukkeling”, noemde Lewis de coach en daarmee stelde hij zich kwetsbaar op.

Want met zijn eigen clubtrainer Tom Tellez als coach mocht het op dit WK niet fout gaan. Nu was de kans daarop gering, want dit jaar werd het record al tweemaal gehaald. In Monaco werd op 3 augustus met Heard, Burrell en Marsh van de Santa Monica Track Club de wereldrecordtijd van 37,79, die de Fransen sinds de Europese titelstrijd op hun naam hadden staan, geëvenaard. Op de Weltklasse Meet in Zürich kwam het kwartet Marsh, Burrell, Mitchell, Lewis vier dagen later tot 37,67. Tokio, met Cason als eerste loper in plaats van Marsh, werd de derde verbetering binnen een maand tijd. En hoewel ze dan geen dikke vrienden zijn, “we wilden de wereld laten zien dat de Verenigde Staten de beste sprinters ter wereld heeft en hoewel in Europa iedereen graag had gezien dat het anders was, hebben we gedaan wat we moesten doen”, zei Lewis.

Voor Merlene Ottey was er op de valreep toch nog de "bevrijdende' gouden medaille, die ze nu al zo lang najaagt. Op de 4x100 meter kon ze als laatste loopster alle frustraties van de verloren sprintnummers van zich aflopen. Een slechte wissel van Duitsland bood haar de gelegenheid vanuit de tweede positie op te rukken naar de winst. Met name de "vliegende start' van de estafette was in haar voordeel. De tijd van Jamaica: 41,94.

De 4x400 bij de vrouwen eindigde in een zege van de Sovjet-Unie (3.18,43) voor de Verenigde Staten en Duitsland, bij de mannen stuntte op die afstand Groot Britannië door een fantastische eindsprint van Kris Akabusi die 400 meter wereldkampioen Antonio Pettigrew achter zich liet: 2.57,53 - 2.57,57.

Even opwindend was het speerwerpen waar Duitsland met Karen Forkel en Petra Meier hun heerschappij doorbroken zagen door de Chinese Xu Demei (68.78 meter). Wat minder verrassend, maar nog altijd opmerkelijk, ontwikkelde zich de strijd om het goud bij het hoogspringen voor mannen. Het werd een zege voor de Amerikaan Charles Austin met een hoogte van 2.38 meter. De Cubaanse favoriet Javier Sotomayor (wereldrecordhouder met 2,44 meter) moest met een voetblessure opgeven. De afgetekende triomfen van de Algerijn Noureddine Morceli (3.32,84) op de 1500 meter en van de Keniaan Yobes Ondieki (13.14,45) op de vijf kilometer waren in het script voorzien. Maar ook voor hen geldt in het Olympische jaar het credo dat Lewis van De Coubertin heeft geleend: Altius, Citius, Fortius, hoger, sneller, krachtiger.