Hiromi Taniguchi het beste bestand tegen de run-lag

TOKIO, 2 SEPT. De Olympische kampioen Gelindo Bordin trainde een week lang in het holst van de nacht, anderen kozen voor een duurloopje bij het krieken van de dag, verschoven hun dagindeling steeds een beetje. Want naast de gevreesde omstandigheden als hitte en hoge vochtigheidsgraad die de marathon om de wereldtitel in Tokio zwaar zouden maken kwam het onbekende verschijnsel van run-lag. Om zes uur in de ochtend starten was nog nooit vertoond. De Japanner Hiromi Taniguchi bleek het beste bestand tegen die factoren en won.

Na het koffieconcert en de sherry recital is er nu ook de ontbijt-marathon. Maar ondanks het tijdstip waren er vele duizenden toeschouwers langs het parkoers samengestroomd. Volgepakte gele treinen van de Sobu line brachten bezoekers naar het stadion. En al was dat bij lange na niet uitverkocht, er klonk toch een daverend applaus en gejuich toen Taniguchi het gastland aan de eerste overwinning van deze WK hielp. Want Japan mag dan veel namaken, een gouden medaille moet veroverd worden en op atletiekgebied heeft het Aziatische ras weinig in te brengen.

Japanse marathonlopers echter genieten faam met drie lopers bij de beste tien van de wereld. Taniguchi neemt een zevende plaats in op de ranglijst aller tijden (2.07,40, 16 oktober 1988 in Peking gelopen) en won vorig jaar onder moeilijke omstandigheden de marathon van Rotterdam. “Toch kun je niet zeggen dat ik een warm-weer-loper ben, want van oorsprong kan ik daar slecht tegen. Je moet je er speciaal op voorbereiden. Je race rustig opbouwen.”

De 31-jarige loper had een oord buiten het atletendorp gezocht om zich te prepareren op de krachtproef. Zaterdagavond om zes uur at hij een bord spaghetti en wat brood, liet zijn schouders masseren en zocht om half acht zijn bed op. Van slapen kwam niet veel, want kinderen in zijn hotel maakten lawaai en nog voordat om twee uur 's nachts de wekker afliep stond hij al op. Het personeel was er niet op berekend omstreeks dat tijdstip een ontbijt te maken dus had hij de dag tevoren zelf etenswaren ingeslagen en 's morgens klaargemaakt: twee boterhammen met honing, een stuk cake, banaan, een gekookt ei en twee koppen koffie. Na een wandeling door het uitgestorven stadsdeel om de verveling te verdrijven ging hij om vier uur in de ochtend richting start.

Hij behoorde tot de grote kanshebbers. Vier van zijn zes overwinningen behaalde hij in eigen land (Beppu, Sapporo en tweemaal Tokio). Maar die worden gelopen in een jaargetijde dat zich beter leent voor het houden van een afstandsrace, terwijl de 42,195 meter lange wedstrijd zich bij een WK simpelweg aan de - niet zelden ongunstige - omstandigheden moet aanpassen. Dit jaar was het een slopend karwei. Tokio bleef een broeikas. Omstreeks middernacht, zes uur voor de start, wees de thermometer nog 29 graden aan. Toen in het nationale stadion het startschot voor de lopers klonk was het 26 graden en onder de al snel brandende zon liep die weer op naar 30.

“Het weer is hier uitstekend voor sprinters en verspringers”, klaagde de Amerikaan Steve Spence die derde werd, “maar ik heb nog nooit meegemaakt dat het voor ons zo ongunstig was.” Het enige antwoord op die extreme omstandigheden was een verstandige opbouw van de race. Een iets te hoog aanvangstempo kon fataal worden. “De seconden die je in het begin van zo'n race wint, verlies je aan het einde als minuten”, heeft de veteraan Piet van Alphen eens gezegd. Wie waagt verliest. “Je moet een beetje laf lopen”, vatte de Nederlander Tonnie Dirks, uitstekend zestiende in 2.22,17, de wedstrijd samen.

"Bekeken' en "uitgekookt' klinken wat sympathieker. De Japanse winnaar vertelde dan ook onbeschroomd over het geduld dat hij had betracht en hoe de tegenwind zijn grootste vijand was geweest. Door zich achter de langere lopers als Bordin en de Canadees Peter Maher te verschuilen had hij dat nadeel zoveel mogelijk proberen te elimineren. Toen hij rond de 38ste kilometer aanviel was het lijden van zijn gezicht af te lezen. “Maar ik wist dat iedereen moest afzien en ik wilde mijn aanval daar wagen. Als er ook maar iemand me had kunnen volgen was het moeilijk geworden.”

Alleen Achmed Saleh uit Djiboeti zette de achtervolging in. Maar de oude meester komt steeds net te kort om te winnen. Hij had het zelfs nog zwaar om zich Spence, die helemaal van achteruit zijn wedstrijd opbouwde, van het lijf te houden. De Amerikaan bezorgde zijn land voor het eerst sinds Frank Shorter dat deed bij de Olympische Spelen van 1976 een medaille op de marathon.

Tonnie Dirks liep met de handrem op. Een opdracht van bondscoach Boverman en hoe Dirks' aanvallende natuur ook protesteerde hij hield zich aan de strategie. “Pas na twaalf kilometer haalde ik de eerste in. Dan ga je twijfelen, ook al hebben ze tegen je gezegd dat je ze onderweg vanzelf tegenkomt als je maar langzaam start. Toen er ook mensen begonnen uit te vallen ging het twee keer zo snel.”

Hij ging “niet kapot aan de warmte” en dat was de grote winst, want toppers als Shahanga, Mekonnen en Nakayama haalden de finish niet. Al zullen financiële motieven (opgeven biedt de kans om over enige tijd een lucratieve marathon als New York te lopen) er ook niet vreemd aan zijn.

Dirks had die beslommeringen niet. Hij verdient zijn geld bij een tuinderij in Het Brabantse Erp, waar hij parttime ijsbergsla en asperges snijdt. En omdat zijn baas een sportieve inborst heeft mag hij na twee uur werken een uur gaan trainen om vervolgens weer tweeënhalf uur tussen de groenten te duiken. De baas traint af en toe met hem mee. “Dan moet ie naar mij luisteren”. Dirks is een atleet in de schaduw. “Mijn prestaties vallen niet op”, weet hij. Maar hij voldeed aan de verwachtingen en in de Nederlandse afvaardiging was dat in Tokio al een groot succes.