Geen Europees supra-nationalisme

Voor professor Henri Beunders (NRC Handelsblad, 6 en 7 augustus) is “macht de centrale factor in elk model van nationalisme”, hij ziet de "natie' vooral als een argument ten behoeve van een politiek doel, en het belangrijkste, zo niet het enige politieke doel, is nog steeds de macht. Dat het nationalisme heel vaak zo functioneert wil ik niet bestrijden, maar of dat inzicht ons kan helpen de problemen waarvoor het nationalisme ons op dit ogenblik plaatst, tot een oplossing te brengen, waag ik te betwijfelen. Misschien is de (politieke) macht maar de helft van het probleem. Het machtsstreven is weliswaar een soort oerdrift, omdat het te maken heeft met het fysieke overleven en met het veiligstellen van de kwaliteit van het bestaan, maar men kan zich op dit machtsstreven naar buiten toe, dus in foro publico niet zo maar beroepen als men iets gedaan wil krijgen. Machtsstreven moet altijd door iets anders dan de "Wille zur Macht' gelegitimeerd worden, en dat andere is dan in dit geval: de belangen van de natie, het nationalisme.

Zegt men nu, dat de "centrale factor van elk nationalisme macht is', dan is dat een vorm van ontmaskeren van het nationalisme, maar het verklaart nog niet, waarom het machtsstreven niet en het nationalisme wèl een argument is dat men naar buiten toe kan gebruiken. Wordt het nationalisme slechts als machtsdrang ontmaskerd, dan wordt alleen een op zichzelf maatschappelijk aanvaardbaar argument politiek onklaar gemaakt, omdat het machtsstreven er zich ten onrechte van bediende. Dat kan een efficiënte manier zijn om het machtsstreven van sommige naties te bestrijden, maar het lost waarschijnlijk niet het probleem op waar dit machtsstreven uit voortkomt, namelijk de wil tot gezamenlijk economisch of cultureel overleven en tot een zich sterker maken om ook in de toekomst de kwaliteit van zijn bestaat te kunnen garanderen.

Het nationalisme is in de eerste plaats - en daarom kan men er zich in foro publico op beroepen - uitdrukking van iets dat men gemeenschappelijk als nood of noodzaak voelt. Beunders wijst er terecht op dat Huizinga, en voor hem al Max Weber en vele anderen, het wezen van de natie in het solidariteitsgevoel zien dat een groep mensen bij elkaar houdt.

Wellicht kunnen de gevaren van het nationalisme toch efficiënter bestreden worden, wanneer getracht wordt die gemeenschappelijkheid en die solidariteit niet monddood te maken door ze als machtspolitiek te ontmaskeren, maar ze in andere banen te leiden, zodat ze minder gemakkelijk misbruikt kunnen worden door pure machtspolitici.

Concreet komt dat erop neer dat het accent komt te liggen op de problemen, die het solidariteitsgevoel hebben doen ontstaan en gevoed. En dat zijn haast altijd gefrustreerde sociaal-economische of culturele verwachtingen, terwijl het machtsstreven eerder uitdrukking is van gefrustreerde politieke verwachtingen. Het gaat er nu om dat het legitieme streven naar economische en culturele emancipatie niet voor het karretje van pure machtspolitiek gespannen wordt. Dat kan men wellicht beter bereiken, door dat economische en culturele emancipatiestreven serieus te nemen dan door het te beschamen en als een verholen machtspolitiek argument te ontmaskeren, dat het in wezen niet is.

Daarom zitten we in Europa ook niet te wachten op een supra-nationale "politieke formatie' waarin Beunders een soort tegenwicht tegen het nationalisme schijnt te zien. De emancipatie van Europa is als een economische begonnen en is nu moeizaam op zoek naar een culturele component. Hoe later zo'n supra-nationalisme doorbreekt, des te beter is het, want des te groter is de kans dat Europa van onderen naar boven organisch groeit, en geen artificiële constructie wordt met alle gevaren die, zoals we in Joegoslavië hebben kunnen zien, aan zo'n artefact kleven.