De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

Na de lelies komen de garnalen. De zee zit zo overdreven vol met die beestjes, dat ze elkaar verdringen om in je schepnet te mogen.

Voor een emmer garnaal, zo hadden we gehoord, krijg je twee knaken. Maar dit jaar zijn er zo veel garnalen dat een emmer vol nog maar één knaak oplevert. “Zo werkt de economie”, zegt Orolaboro, “dat is de markt.”

Snappen doe ik het niet. Waarom zouden mensen minder willen betalen als er veel van is? Je houdt van garnalen of je houdt niet van garnalen. Toen de wodkaprijs omhoog ging, vond iedereen de wodka toch veel lekkerder? Als er maar één garnaal in zee zwemt, betalen ze daar dan een miljoen voor?

Maar ik heb in Moskou geleerd niet na te denken over, en me niet te verzetten tegen het officiële geloof. Mijn hele jeugd hoor ik dat ons economische stelsel het beste is van alle stelsels, omdat onder het communisme een mens niet wordt uitgebuit. Ik zeg dat het tegendeel het geval was. Ging ik protesteren? Nee, ik bleef liever leven. Ik liep weg. En toen ik de deur achter me dichtsloeg, stortte het hele gebouw in mekaar.

Nu zit ik weer in een land waar ze denken het beste stelsel van alle stelsels te hebben. IK zie dat het niet zo is. Protesteer ik? Nee. Ik ga weg. Maar daar moet ik eerst dollars voor hebben. IK verkoop mijn garnalenschepnet en garnalenemmer. Ik weet iets beters.

Er zijn zó veel garnalen dat er veel pellers nodig zijn. De garnalen zijn zó goedkoop dat ze de pellers goed kunnen betalen.

Weer vergis ik me. De garnalen worden gepeld in Polen en in Marokko. Daar moeten de garnalen ver voor reizen. Ik begrijp het wel: die garnalen komen, als ze gepeld zijn, weer terug, maar als je Polakken en Marokkezen hier binnen laat, dan blijven ze hier.

Daarom sta ik met Orolaboro en tientallen illegale Polen en Marokkanen vergeefs voor de poort van de garnalenfabriek.

Nu pellen we zelf. Kop eraf, kleren uit, klompen weg, in drie bewegingen is de garnaal gevild, net als de lelie.

In de keuken van Orolaboro's zus koken we potten vol garnalen. We pellen ze en doen ze in zakjes van een ons. Daarmee lopen we langs de visboeren. Zij verkopen die zakjes voor zes gulden vijftig. Wij bieden ze aan voor twee gulden vijftig. Vier gulden winst, omdat je visboer bent.

De handel moet in het diepste geheim. De Keurige Dienst Vanwaren mag er niet achter komen. Die kijken vanwaar de garnalen komen en als dat niet Polen (smeerboel!) of Marokko (hitte!) is, dan vinden ze de garnalen niet keurig. Die Keurige Dienst Vanwaren zou eens in de keuken van Orolaboro's zus moeten kijken; kraakhelder en smaakgezond.

Die avond wil Oro dat ik met hem mee ga naar een deftig hotel. We gaan op een bank zitten in de lounge. We zeggen chic hallo tegen de receptie. We koekeloeren in de krantenkiosk (“Nee, het gaat niet om gappen”, fluistert Oro), we slaan een blik op de televisie (allemaal stomme Russen op CNN). We groeten iedereen met een uniform (thuis ging je opzij voor een vent in uniform; hier betekent uniform: slaaf).

“Waarom doen we dit, Oro?”

“We gaan hier ontbijten. Dat gaat met een buffet. Ze vragen niet om je kamernummer maar of je koffie wil. Mij lukt het niet, want ze weten dat er geen zwarte logeert. Daarom loop ik hier rond. Dan weet morgen het hele hotel dat er een zwarte logeert: "Keurige man, beter dan die bleekscheet met dat vieze pak'.”

“Dat pak heb ik anders met jou uit het pashokje in...”

“Laat je niet opnaaien. Je kan het beter niet aandoen bij het pellen.”

De volgende ochtend prop ik eerst mezelf en daarna mijn zakken vol met hammen en worsten. Er is zelfs een los beschuitje in een plastic doosje!

“Een zwarte in de zaak”, zegt Orolaboro terwijl hij een sherry naar achteren slaat, “dat geeft cachet aan de zaak. Net als één salmonellaatje in een ons garnalen.” En we gaan weer aan de pellerij.

Wordt vervolgd