Wilskracht en verdoving

In Hotel Central zit ze in een hoekje bij het grote raam, dat tot bovenaan is opgeschoven. Binnen en buiten zijn nauwelijks gescheiden.

Een grachtje, een bruggetje, voorbijgangers. In een smalle omlijsting staat daar de kerk waar de Oranjes liggen. De toren steekt in de blauwe lucht.

Ze heet Oda en lacht voortdurend. Ze doet, klein en donker, aan Spanje denken. Ook het klaprozenrood van haar jurk heeft iets van flamenco. Er zit een strik in haar haar. Jong, fleurig, eigenwijs, zo wil ze gezien worden.

Ze was danseres. Voor een solocarrière was ze niet goed genoeg, te laat begonnen ook. Maar ze deed staatsexamen en opende haar eigen balletschool. Achttien was ze toen. Ze vond een sponsor en deed alles zelf en het liep eigenlijk prima.

Ze had een kamer in een soort pension. De eigenaar besloot van het pand een kantoor te maken. Bij Huisvesting zeiden ze: wij kunnen je niet helpen, maar OD 36 is net gekraakt, misschien kun je daar terecht.

Oude Delft 36, een echt speculatie-object. Nou ja, de halve stad was in die dagen gekraakt. Maart '81, ze was tweeëntwintig.

Ze zat er drie dagen toen de knokploeg kwam, negen woonwagengasten met knuppels, koevoeten en breekijzers. Ze waren 's nachts verwacht, maar verschenen 's morgens om een uur of elf, de meeste bewoners waren naar college. Ze drongen via de achterkant binnen. Samen met anderen vluchtte Oda via de voordeur. Ze werden opgewacht en afgerost.

Of het nou een koevoet was of een breekijzer, in ieder geval: zo'n gekromde ijzeren staaf met een spleetje aan het eind. Dat kreeg ze in haar rug. Ze voelde pijn en liep over een bruggetje naar de overkant, en dat waren haar laatste passen in jaren. Ze zakte in elkaar. Toen ze bijkwam, lag ze in een ambulance.

Jarenlang deed ze moeite om de schuldige te laten opsporen en vervolgen. Vergeefs. Tegen de leugens van die kerels was geen kruid gewassen. Die hadden nooit geslagen, hoogstens gedreigd en hier of daar een duw gegeven. Van knuppels, koevoeten en breekijzers kenden ze het bestaan niet eens! Ze wisten het zelfs zo te draaien, dat zij door háár mishandeld waren; dat kwam voor de rechtbank. Oda zat in een rolstoel en woog 36 kilo. De rechter zei: wilt u eens goed naar die vrouw kijken heren, moet zij jullie geslagen hebben? In vijf minuten was de zitting gesloten.

Ze lag met een dwarslaesie in het ziekenhuis en kon alleen haar hoofd een beetje bewegen. Kan ik ooit weer dansen? Geen antwoord. Kan ik ooit weer lopen? Geen antwoord. Ze moest eerst maar eens een jaartje blijven liggen.

Ze dreigde in een verpleegtehuis geplaatst te worden, tussen demente bejaarden. Natuurlijk gaf ze de voorkeur aan terugkeer naar OD 36. Zodoende was ze erbij toen het pand later officieel ontruimd werd. Keurig volgens afspraak. Maar de kraakbeweging had de pers getipt en toen ze door drie, vier politiemannen in haar wagentje van het bordes werd gedragen, klikten de camera's. Oda als symbool van het onrecht in Nederland! Terwijl ze met de ideologie van die beweging niets te schaften had. Ze had toevallig een plek gezocht om te wonen.

Ze lacht nog steeds. Ze vertelt dat ze in een ouderwets ijzeren ledikant met spijltjes lag. Ze liet er touwen boven spannen. Al in het ziekenhuis had ze een revalidatieprogramma bedacht. Waar moet je in al die lege uren ook anders aan denken?

Ze was danseres geweest, ze wist hoe je je lichaam je wil kon opleggen, ze had een hoge pijndrempel. Ze leerde zich optrekken. Ze leerde zitten. Ze leerde haar voeten buiten het bed draaien. Na een half jaar kon ze zich van het bed in de rolstoel laten ploffen en uit de rolstoel weer in bed kruipen.

Wilskracht ja. Wilskracht en verdoving. Compleet verslaafd aan de methadon op den duur. Zo sluw als een vos in het bespelen van artsen en apothekers. Maar toch: steeds meer meester over zichzelf.

Na twee jaar hobbelde ze rond op krukken. Ze had nog altijd geen gevoel in haar voeten, ze kon geen passen maken, dat is het laatste wat is teruggekomen. Na vier jaar: lopen zonder krukken.

Ze wist precies welke bruggen in Delft ze opkon en welke niet. Maar ze zwalkte nog en de mensen zeiden: moet je kijken, die is nu al dronken. Nou ja, en dan al die opmerkingen dat ze zo dik geworden was...

Sinds 1987 loopt ze weer goed. Rond die tijd was ze in de zwakzinnigenzorg gaan werken. Natuurlijk was ze officieel voor honderd procent afgekeurd. Na een jaar kon ze in vaste dienst komen en toen werd ze goedgekeurd. Maar ze kan niet tillen. En dan kom je in de nachtdienst en dan is er een knokpartijtje en dan moet je iemand in de isoleercel zien te krijgen. Ze kreeg weer last van haar rug.

Nu gedeeltelijk arbeidsongeschikt, gedeeltelijk werkloos. Iets administratiefs zou ze kunnen doen. Ze mag op een stoel zitten, mits het een goeie stoel is. Maar ja, geen ervaring, geen opleiding. En om dan op je 32ste een cursus te doen om iets te leren waarvoor je nul komma nul interesse hebt... want in wezen kan ze niet stilzitten, ze is iemand die steeds in beweging moet zijn. Een impasse dus.

Oda slaakt een zucht. Natuurlijk, diep in haar hart is ze bitter. Ze heeft dingen bereikt die niemand voor mogelijk had gehouden. Maar er lijkt geen eind te komen aan de rij teleurstellingen die je moet verbijten. Ergens schijn je het toch te moeten afleggen.

Steeds die pijn in je rug. Een paar keer per jaar dat verlammende gevoel in je rechterarm, de aankondiging van een nieuwe crisis, drie, vier dagen platliggen. Steeds die angst dat je terugmoet naar het ziekenhuis voor een ligkuur van een volle maand. Een maandlang alleen maar liggen en naar het plafond kijken, afgrijselijk.

Dat je met boodschappen doen tien keer heen en weer moet lopen. Dat je je nieuwe vriend moet vragen of hij wil stofzuigen. Dat je geen handje kunt helpen als die jongen de kano de trap opzeult.

En 's winters is het altijd nog een graadje erger. Dus straks komt het moment dat hij voor het eerst te zien krijgt dat ze zittend de trap op en af moet...

""Kom'', zegt Oda, ""dan gaan we even op de Oude Delft kijken.''

Ze loopt normaal. Foto: Freddy Rikken