Veteranen

Met de T.N.I. op stap. De laatste patrouille van het vergeten leger door Ant. P. de Graaff 201 blz., Van Wijnen 1991, f 29,50 ISBN 90 5194 065 3

In de stroom van herinneringsliteratuur over het Nederlands-Indonesische conflict 1945-1949 neemt het werk van Ant. P. de Graaff een aparte plaats in. Deze auteur heeft met zijn schrijven steeds één doel voor ogen: ””Wij, oud-Indië-militairen willen erkenning krijgen, dat wij in opdracht van de Nederlandse regering in het huidige Indonesië zijn geweest en daar een deel van onze jeugd hebben achtergelaten. [..] Ik hoop nog mee te maken dat de geschiedenis niet langer verzwegen wordt. Wij zijn tenslotte niet voor ons plezier naar Indië gegaan, we waren dienstplichtig en we werden gestuurd.''

In zijn eerste boek, De heren worden bedankt (1986), beschreef hij met een rappe pen zijn ervaringen als jonge dienstplichtige ”hospik'. De weg terug (1988), waaruit het boven aangehaalde citaat is overgenomen, bevat een verslag van een reis van een aantal voormalig dienstplichtigen naar het strijdtoneel van toen. In Brieven uit het veld (1989) tenslotte staan de problemen centraal waarmee de veteranen bij terugkomst werden geconfronteerd.

De Graaffs nieuwe boek Met de T.N.I. op stap is te beschouwen als de afronding van zijn verhaal. Hij beschrijft daarin hoe hij nogmaals met een paar oudgedienden ”de weg terug' is gegaan. Ditmaal echter bezochten zij de gevechtsterreinen van veertig jaar geleden in gezelschap van hun voormalige tegenstanders. De reis werd gemaakt op uitnodiging van de Indonesische luitenant-generaal b.d Dading Kalbuadi, toentertijd, zoals hij zelf in een brief aan De Graaff schrijft, een ”piepjonge 'pelopper' en tegenwoordig inspecteur-generaal van het Departement van Defensie en Veiligheid in Indonesië.

Het reisverslag wordt afgewisseld door herinneringen van voormalige leden van drie strijdgroepen die destijds in hetzelfde gebied als De Graaff opereerden. Deze veteranenverhalen zijn ter gelegenheid van het bezoek geschreven. Hoewel ze verschillend van kwaliteit zijn, vormen ze het pluspunt van het boek. Zij geven inzicht in de organisatie en de tactiek van deze groepen en in de wijze waarop de strijd werd gecombineerd met een zo normaal mogelijke voortgang van het dagelijks leven. Bovendien wordt het duidelijk dat ook de Indonesische veteranen last hebben van trauma's, opgelopen in hun onafhankelijkheidsstrijd. Over de Indonesische kant van het verhaal, die juist in herinneringsliteratuur zo levendig naar voren kan komen, is in Nederland nog te weinig bekend.

De centrale, sympathieke boodschap van het haastig geschreven boek is: ””De eenvoudige, gepensioneerde Nederlandse handwerkslieden, eens de doorsnee van ”het leger van Jan' verbroederen zich met vroegere vijanden!'' En onder de laatsten waren zeker niet de geringsten: ””De allerhoogste top van de Indonesische militaire wereld van dit moment,'' destijds veelal tieners en door de auteur steeds met naam en toenaam genoemd, verschijnt op de verschillende officiële ontvangsten. Voor De Graaff kan het bezoek dan ook niet meer stuk. ””Wat we deze reis in Indonesië hebben meegemaakt, kan nooit meer herhaald worden door niemand en op geen enkel tijdstip,'' schrijft hij. De meereizende journalist Rinze Brandsma vraagt zich af in een artikel dat als slothoofdstuk aan het boek is toegevoegd en dat een aardig verslag van de reis is: ””Worden ze (...) ingepakt?'' - zonder daarop overigens zelf een duidelijk antwoord te geven.

Nogal irritant is dat De Graaff zo nadrukkelijk beschrijft hoe hij werd gefêteerd. Hij geniet van de publiciteit rond de reis en meldt herhaaldelijk welke media hem volgen. Hij weet precies hoeveel journalisten er op een persconferentie aanwezig zijn en hoeveel abonnees Brandsma bereikt. Wat kan dat de lezer schelen?

De Graaff heeft in Met de T.N.I. op stap het niveau van zijn vorige boeken - en wat mij betreft: vooral van De heren worden bedankt - bij lange niet gehaald. Wanneer hij de emotionele ontmoetingen meer ingetogen had beschreven, was zijn boodschap veel overtuigender geweest.