Powells grootste geheim bouwt hij op in zijn garage

TOKIO, 31 AUG. Op high school speelde hij basketbal en droomde er van de nieuwe Michael Jordan te worden.

Maar in plaats van 's werelds beste basketballer werd Mike Powell de opvolger van de legendarische verspringer Bob Beamon. In een confrontatie met Carl Lewis, die tien jaar lang steeds als winnaar uit elke zandbak stapte, volgde hij een advies dat een therapeute hem gaf. “Pak het aan als een bokswedstrijd in het zwaargewicht gevecht. Je kunt van een kampioen nooit op punten winnen, je moet hem knock-out slaan.”

Die verwoestende klap deelde hij uit in zijn vijfde sprong. Lewis had een ronde eerder als eerste mens verder gesprongen dan het bijna 23 jaar bestaande record van Bob Beamon: 8.90 meter gerealiseerd tijdens de Olympische Spelen op 18 oktober 1968. Door een teveel aan rugwind zou zijn 8.91 niet als nieuw record erkend kunnen worden, maar psychologisch leek het een belangrijk tikje. Niet voor Powell, die met een zuchtje wind in de rug 8.95 meter ver kwam. Het was 29 centimeter verder dan zijn persoonlijke record uit 1990.

Een progressie die aanzienlijk minder groot is dan die van Beamon in Mexico City (57 centimeter) en volgens Powell niet alleen daarom minder spraakmakend. “Larry Myricks, Carl Lewis en ik hebben de afgelopen tien jaar allemaal al eens een keer verder gesprongen dan het wereldrecord. Dat waren wel steeds foutsprongen. Maar dan weet je wel dat het kan als alles een keer meezit. Ik had dat geluk vanavond.” Er zullen dan waarschijnlijk ook minder mysteries rond dit wereldrecord blijven hangen dan destijds het geval was met Beamons “Sprong in de 21ste eeuw”.

Het wereldrecord stond destijds op 8.35. Beamon mocht dan worden beschouwd als een natuurtalent, met zulke sterke hamstrings dat het leek of hij zijn benen eeuwig opgetrokken kon houden, zijn prestatie was onwezenlijk, onaards onmenselijk ver. Voorbij de officiële meetapparatuur. Bij het horen van de afstand zei hij dan ook: “Zeg me dat ik niet droom”. In hun speurtocht naar verklaringen die de 8.90 voor gewone stervelingen aanvaardbaar zouden maken kwamen de hoogte (2250 meter boven zeeniveau) en de 2.0 meter rugwind als belangrijke factoren naar voren. De Amerikaanse wiskundige en statisticus Donald H. Potts berekende dat daardoor ongeveer vier procent voordeel was ten opzichte van een sprong op zeeniveau.

Beamon, net als Powell 1.90 meter lang en 75 kilo zwaar, benaderde die afstand daarna nooit meer en stopte kort erop met atletiek. In 1969 nam hij nog deel aan een ontmoeting Europa-VS in Stuttgart. Hij eindigde als laatste met een sprongetje van 7.75.

Mike Powell werd 10 november 1963 geboren in Philadelphia, de omgeving waar ook Carl Lewis, Leroy Burrell en Dennis Mitchell (de eerste drie van de 100 meter finale) vandaan komen. Hij verhuisde in 1974 naar Los Angeles waar hij op high school eerst basketbal speelde maar tevens aan atletiek deed. Eerst als hoogspringer tot hij in 1983 bij de eerste wedstrijd van het seizoen bij zijn eerste poging op het verspringen 8.06 meter haalde. Zijn besluit om daarin verder te gaan stond van toen af aan vast.

Carl Lewis en Larry Myricks waren, zegt hij, zijn idolen. “Als zij er niet waren geweest zou ik dit nooit hebben bereikt.” Zijn kijk op Lewis is in de loop der tijd wel veranderd. King Carl mag dan sinds 13 maart 1981 ongeslagen zijn als verspringer en 65 keer achtereen hebben gewonnen, “als hij meer wedstrijden had gesprongen was hij al lang een keer verslagen. Maar hij kiest zijn wedstrijden zorgvuldig uit. Bekijkt eerst de mogelijkheden. Een echte kampioen springt onder alle omstandigheden”, aldus Powell.

“De omstandigheden waren perfect, de baan was perfect, de wedstrijd was perfect en het liefste was ik nog de laatste springer geweest. Dan ben ik op mijn sterkst. Ik ben niet zo snel als Carl en Larry, maar als ik me snel voel kan ik net zo ver springen als zij.” De aanloopbaan in Tokio is voortreffelijk. Sneller dan die in Indianapolis waar Lewis in 1982 al eens een afgekeurde sprong maakte die verder zou zijn geweest dan de 8.90 van Beamon. Hinkstapspringers hadden Powell over die snelle baan verteld en hij geloofde ze op hun woord. “Alleen daarom ga ik al sneller.”

Het grootste geheim zat 'm in zijn afsprong. Hij heeft een surplus aan kracht opgebouwd door thuis in zijn garage krachttraining met luchtdrukapparatuur te doen. “Anders dan met gewone halters is er nauwelijks kans op blessures. Normaal stopt een atleet in mei met de krachttraining ik ben er tot anderhalve week geleden mee doorgegaan.”.

Toch begon hij zijn reeks moeizaam. “Ik was zo opgefokt en gemotiveerd dat ik bijna hyperventileerde. Op de aanloopbaan kon ik nauwelijks ademen.” Na zijn 7.85 dwong hij zichzelf te ontspannen. Er volgden een 8.54 en 8.29 en kwam met een onderbreking van een verre maar ongeldige sprong die enorme jump. Lewis antwoordde met 8.87, zeven centimeter minder dan zijn rivaal die de laatste poging van zijn concurrent met ingehouden adem bekeek. Bij de nationale kampioenschappen dit jaar in New York had Lewis hem ook in de laatste sprong verslagen. “Hij is een groot atleet en diep in mijn hart dacht ik dat hij nog zou winnen. Want dat kan hij. Het is iets wat ik van hem heb overgemomen. Je kunt geen kampioen zijn tenzij je gelooft dat je een kampioen bent.” Lewis geloofde het, maar werd het niet. Zijn 8.84 was een ontgoocheling. Powell nam de tijd op tussen het moment dat Lewis op de aanloopstrook verscheen en landde in de bak: 5.31 minuten. “Mijn hart klopte in mijn keel. Als je een wereldrecord kunt pakken en dan nog op het verspringen is dat een traumatische ervaring. En als er nog die ene man is die dat kan voorkomen... Maar gelukkig ben ik nu de wereldrecordhouder. En wat is het heerlijk om dat te kunnen zeggen. Als ik Bob Beamon tegenkom zal ik hem bedanken. Want als hij in 1968 niet zo'n enorme afstand had gesprongen zou dit nu niet zo geweldig zijn.”