Polen ingehaald door afspraak met communisten

Exit Jan Krzysztof Bielecki. De kleine zakenman uit Gdansk, vrijwel onbekend toen de pasgekozen president Lech Walesa hem in januari aanzocht als premier van Polen, heeft de handdoek in de ring gegooid en is met zijn hele regering afgetreden.

Hij is “de surrealistische spelletjes” zo beu dat hij zelfs niet wil aanblijven tot de verkiezingen van oktober.

Daarmee wordt Polen, midden in het moeizame proces van de economische transformatie, ingehaald door zijn recente verleden: de afspraken aan de ronde tafel die indertijd wel het eind inluidden van het socialisme, maar die allerminst voorzagen in een nieuwe democratische structuur.

Een recapitulatie: in de lente van 1989, toen het socialisme nog heerste van Helmstedt tot Vladivostok, bereikten de twee partijen in de Poolse politiek, de regerende communisten en de opposanten van Solidariteit, een historisch akkoord, dat in zijn essentie voorzag in machtsdeling. Een van de afspraken betrof halfvrije verkiezingen. Voor de Senaat zouden die verkiezingen geheel vrij worden, voor de Sejm, de Poolse Tweede Kamer, werd een regeling afgesproken: tweederde van de zetels werden bij voorbaat toegewezen aan de communisten en hun bondgenoten, om de rest zou eerlijk worden gevochten. Op die manier kregen de communisten de garantie dat ze ook na die halfvrije verkiezingen de lakens zouden kunnen uitdelen.

Dat pakte anders uit. Bij de verkiezingen van juni vielen op één na alle zetels in Sejm en Senaat waarom vrij was gevochten toe aan Solidariteit. De communistische partij werd zo vernederd, dat ze weliswaar tweederde van de Sejm controleerde, maar haar autoriteit kwijt was, en daarmee de controle over haar bondgenoten en Polen zelf. De bondgenoten liepen over naar het kamp van Solidariteit en Tadeusz Mazowiecki werd in september 1989 de eerste niet-communistische premier van Polen in veertig jaar.

In de twee jaar die sindsdien zijn verstreken, hebben de Polen nagelaten als overal elders in Oost-Europa werkelijk vrije verkiezingen te houden: het parlement dat er nu zit, is nog altijd die halfvrij gekozen Sejm, waarin een meerderheid van de zetels in handen is van de vroegere communisten. Die hebben zich weliswaar als communistische partij opgeheven (ze gaan nu als Sociaal-Democratie van de Republiek Polen, SdRP, door het leven), en ze zijn ook zeker geen communisten meer maar hebben zich de afgelopen twee jaar in meerderheid fatsoenlijk gedragen, maar ze bepalen wel het lot van de regering en daarmee het lot van de hervormingen.

De oorzaken van de omissie liggen voor de hand. De overwinning van Solidariteit in de zomer van 1989 was overweldigend. Maar Solidariteit was geen partij. En toen ze aan de macht kwam - tegen haar zin, te vroeg, en tegen de afspraken aan de ronde tafel - erfde ze een zo slechte economische situatie, dat de heilige eenheid bewaard moest blijven: Polen kon zich niets permitteren, geen uiteenvallen van de kolos Solidariteit in verschillende partijen, geen confrontatie, geen verkiezingscampagne. Eenheid was geboden, eenheid en haast met de hervormingen.

De omissie had dit jaar goedgemaakt moeten worden: op 27 oktober gaan de Polen naar de stembus, ook al zijn er zelfs nu nog nauwelijks volwassen politieke partijen met een behoorlijk uitgewerkt en duidelijk programma en een behoorlijk ledenbestand.

Het is te laat: Bielecki trad gisteren af, vlak voordat de Sejm, met die ex-communistische meerderheid, hem met een motie van wantrouwen ten val zou brengen. Zo kwaad was de premier, dat hij zelfs niet wilde aanblijven tot de verkiezingen van oktober. Hij beende gisteren de Sejm uit, de parlementariërs geschokt en verbouwereerd achterlatend. Voor het eerst is het postsocialistische Oost-Europa geconfronteerd met een parlementaire crisis.

Bielecki is zijn kwaadheid eigenlijk niet kwalijk te nemen: hij is het slachtoffer geworden van economische crisis, van het ongeduld en de frustraties van de geplaagde Polen en van de manier waarop de SdRP, de ex-communisten, daarop met het oog op de naderende verkiezingen trachtten in te spelen. Het is, zo oordeelde Bielecki gisteren voor hij zijn bom in de Sejm tot ontploffing bracht, hun schuld: zij hangen de demagoog uit en spelen “een surrealistisch spelletje” met Polen en de Polen.

De oorsprong van de crisis ligt in de economie. De drastische hervormingen die begin vorig jaar door Mazowiecki's (en Bielecki's) vice-premier Leszek Balcerowicz werden ingezet, hebben dramatische gevolgen gehad voor de Polen: de levensstandaard is drastisch teruggelopen, fabrieken hebben hun poorten gesloten, de produktie en de handel met Duitsland, de Sovjet-Unie en de rest van Oost-Europa zijn drastisch teruggelopen - alleen al het wegvallen van de Sovjet-markt heeft tot een daling van 7,7 procent van het nationaal inkomen geleid - en 1,7 miljoen mensen hebben hun baan verloren; tegen het eind van dit jaar zullen dat er twee miljoen zijn. Alles in Polen staat rood, de produktie, de handelsbalans, de betalingsbalans, de begroting.

Voor Balcerowicz was dat aanleiding een forse besnoeiing van de begroting voor te stellen: de overheidsinkomsten, zo stelde hij, zijn veel lager dan geraamd en zonder bezuinigingen zou de begroting, en daarmee het hervormingsprogramma, gevaar lopen. Hij stelde de Sejm voor geen wijzigingen aan te brengen in de uitgaven voor pensioenen, defensie, de gezondheidszorg en de aflossing van de buitenlandse schuld, maar wel te bezuinigen op cultuur, wetenschap, onderwijs en sport. Zelfs als die bezuinigingen door de Sejm zouden worden geaccepteerd, zou het begrotingstekort overigens nog twee miljard dollar bedragen.

Maar de ex-communisten wilden er niets van weten. Ze herinnerden zich plots hun historische rol van voorhoede van geplaagde massa's en zeiden nee. Bielecki en Balcerowicz, zo stelden ze, hebben geen behoorlijk anti-recessiebeleid uitgestippeld. Een van hen stelde donderdag voor het kabinet terug te roepen, maar het wel te laten aanblijven tot er een nieuwe regering zou worden gevormd. Het was de druppel die voor Bielecki de emmer deed overlopen: hij ontplofte en liep weg.