Michel Aoun, gedwongen balling buiten Libanon, blijft gevaarlijk; De generaal gaat, maar zijn geest blijft

Onder de strijdkreet “Libanon voor de Libanezen!” voerde generaal Michel Aoun twee jaar lang oorlog - tegen zijn christelijke en islamitische landgenoten, en tegen de Syriërs.

Hij wilde Libanon ontdoen van zijn op godsdienst gebaseerde, tribale-, clan- en familiepolitiek, die onder een vernisje van moderniteit de eenheid van Libanon te gronde richtte. Hij probeerde de elkaar naar het leven staande groepjes en machthebbers die bij buitenlandse mogendheden om steun, geld en wapens vroegen, de macht te ontnemen. Want door hun acties was de macht van de overheid versplinterd en was Libanon in duizend stukjes uiteen gevallen.

Tien maanden geleden verloor hij definitief de strijd toen Syrische vliegtuigen het presidentiële paleis bombardeerden. Net op tijd zocht hij zijn toevlucht in de Franse ambassade in Beiroet, waar hij politiek asiel kreeg.

Donderdag werd hij, samen met zijn twee metgezellen, brigade-generaal Edgar Maalouf en kolonel Issam Abou Jamra, in het diepste geheim via Cyprus naar Frankrijk overgebracht. Het was een geheel Franse operatie, waar onder andere een onderzeeër, een snelle motorboot, reeksen auto's, twee vliegtuigen, ingewikkelde afleidingsmanoeuvres, alsmede militairen en diplomaten aan deelnamen. Zó wantrouwend waren de Fransen voor een Syrische valstrik op het allerlaatste moment, dat zij geen van de autoriteiten vertelden hoe zij Aoun naar Frankrijk zouden overbrengen. Het was het zekerste bewijs dat Libanon na Aouns val weliswaar een zekere mate van vrede heeft gevonden, maar bepaald niet voor of van de Libanezen is geworden.

De voorwaardelijke gratieverlening aan Aoun en de eisen die de Libanese regering aan zijn verplichte verbanning hebben gesteld, bewijzen nóg iets: dat de verslagen generaal zelfs in het buitenland door de Libanese machthebbers en hun Syrische meester nog steeds als een groot gevaar wordt beschouwd. Daarom zijn er aan zijn verblijf in Frankrijk strenge voorwaarden gesteld. Hij moet zich ver buiten Parijs vestigen, dat hij onder geen beding mag betreden omdat daar teveel Libanezen wonen die hij zou kunnen enthousiasmeren. Hem is verboden politieke uitlatingen in woord of geschrift te doen. En hij mag gedurende vijf jaar niet naar Libanon terug. Als hij één van die voorwaarden schendt, wordt zijn gratieverlening opgeheven. Nu al staat vast dat Michel Aoun door zijn Franse gastheren zwaar zal worden bewaakt. Zij moeten ervoor zorgen dat hij zich aan de gestelde voorwaarden houdt, maar ook dat hij niet alsnog door een ingehuurde terrorist wordt afgemaakt.

Bij zijn aanhangers stond Aoun kortweg bekend als “De Generaal”. Zijn vijanden noemden hem smalend "Napoleoun' omdat hij naast generaal de Gaulle de Franse keizer-generaal als zijn lichtend voorbeeld zag. Ook hij dacht de geschiedenis door eigen standvastigheid een beslissende wending te kunnen geven. En precies zoals zijn grote Franse voorbeelden wordt hij overvloedig gehaat, gevreesd en vereerd. Velen vragen zich dan ook af of Aouns ballingsoord niet een nieuw Sint Helena of Londen zal blijken te zijn, het vertrekpunt van een toekomstige zegetocht.

Want zijn strijdkreet “Libanon voor de Libanezen” was niet slechts een holle leuze. Dat beseften de meeste Libanezen. Misschien kon Aoun, “de man met de schone handen”, afrekenen met de moorddadige militiabendes en hun even corrupte als moorddadige leiders. Misschien was hj in staat Libanon en de Libanezen te verenigen en aldus Libanon te redden uit de verstikkende omarmingen van Syrië en Israel. Misschien kon hj inderdaad van Libanon eindelijk een onafhankelijke, soevereine staat maken.

Zij die dat vreesden, vonden hem een gevaarlijke gek, iemand die met zijn kop door de muur ging en geen begrip wilde opbrengen voor de machtsverhoudingen in en rondom Libanon. Maar omdat hij op zo'n on-Libanese wijze weigerde te schipperen, sloeg zijn strijdkreet aan: niet alleen bij de christelijke maronieten, maar ook bij vele sunnieten en shi'ieten.

Daarom bidden thans duizenden Libanezen om zijn terugkeer. Nog elke dag claxonneren in Beiroet - zowel in het oostelijke (christelijke), als in het grotendeels door moslims bewoonde, westelijke stadsdeel - de automobilisten bij verkeersopstoppingen en vooral bij de Syrische controleposten de maat van een destijds zeer populair liedje: “Generaal, generaal, mijn geliefde generaal.” Het liedje, ter ere van Michel Aoun, vervolgde: “Er valt niet over te discussiëren. Er is slechts De Generaal.”

Toen het Libanese leger op 7 juli de Palestijnse kampen Mieh Mieh en Ain Helweh in Zuid-Libanon met geweld ontwapende, zeiden de officieren openlijk: “Als de generaal dat zou zien, zou hij zeer tevreden zijn.” Het was een riskante uitlating, want de Syrische geheime diensten en de Libanese binnenlandse veiligheidsdienst speuren onophoudelijk naar sympathisanten van Michel Aoun. Een al te vriendelijk boek van de Franse schrijver Daniel Rondeau over zijn premierschap werd verboden.

Ondanks de strenge straffen die erop staan, vindt men in vele woningen foto's van Aoun, die in het geheim worden verspreid, evenals bandjes met zijn redevoeringen. Sinds kort zijn er ook vervalste bankbiljetten van duizend Libanese ponden (fl. 2,25) in omloop, waarop de tempels in Baalbek vervangen zijn door de beeltenis van Michel Aoun.

Even leek het erop dat hij in zijn opzet zou slagen, toen hij als premier van een militaire regering in het voorjaar van 1989 de strijd aanbond met de belangrijkste christelijke militie, de Forces Libanaises. Michael Aoun, geboren en getogen in zeer armoedige omstandigheden, stond tientallen jaren bekend als een wat onbehouwen beroepsofficier die loyaal de overheidsbevelen uitvoerde. Maar in september 1988 benoemde de aftredende president Amin Gemayel hem tot premier van een interim-regering, nadat christenen en moslims er niet in waren geslaagd een presidentskandidaat te vinden die voor alle partijen aanvaardbaar was. Door die benoeming, die Aoun met graagte aanvaardde, was hijzelf de overheid geworden. Hij nam zich voor het land te redden.

Volgens de Libanese grondwet was zijn benoeming wettig. De sunnitische premier Selim al-Hoss had immers op instigatie van Syrië zijn ontslag ingediend; en aangezien er geen president was, moest de premier voorlopig de functies van de president vervullen. Maar van moslim-zijde beschouwde men Gemayels decreet als illegaal, omdat de sinds 1943 gehanteerde politieke verdeelsleutel voorschreef dat de premier van het land een sunni-moslim moest zijn.

Aoun dacht dat hij door zijn benoeming de personificatie was geworden van de Libanese Staat, een staat die de facto niet meer bestond en die hij nieuw leven zou inblazen. Daarom plaatste hij een half jaar na zijn benoeming de havens die in handen waren van de diverse milities en die hun van zeer rijke inkomsten verzekerden, weer onder staatsgezag, opdat de staat eindelijk weer eigen inkomsten zou krijgen.

Hij won de eerste militaire slag tegen de Forces Libanaises. Het was een Pyrrhus-overwinning. Want hij had nu de maronitische militiebazen zo zeer tegen zich in het harnas gejaagd, dat zij uiteindelijk met hun doodsvijand Syrië gemene zaak maakten om voor eens en altijd met Aoun af te rekenen. Toen hij vervolgens de strijd aanbond tegen de moslim-milities en hun Syrische beschermers, werd Libanon wederom de spreekwoordelijke hel uit de burgeroorlog. Duizenden Libanezen, de meesten christenen, verlieten - waarschijnlijk voorgoed - hun geboorteland.

Ondanks zijn enorme populariteit kon Aoun zijn onophoudelijke oorlog niet winnen. De overmacht was te groot, de buitenlandse mogendheden te onverschillig en de Libanezen te oorlogsmoe. Zijn strijd tegen de christenmilities en tegen het Akkoord van Taïf, dat Libanon voorgoed en de jure onder protectoraat van Syrië bracht, leek dan ook sprekend op de strijd van Don Quichotte, zeker nadat de VS en vrijwel alle Arabische landen hadden besloten dat een Syrische beschermheerschappij over Libanon nog zo gek niet was.

Maar de zeker duizend doden, de meer dan vierduizend gewonden en de massale vernietigingen die Aouns strijd opleverde, veranderden niets aan zijn populariteit. Vandaar dat de van Syrië afhankelijke machthebbers hem niet alleen beschuldigden van terrorisme en rebellie tegen het wettige gezag, maar ook van diefstal van staatsfondsen. Zijn naam moest, hoe dan ook, door het slijk worden gehaald om de veiligheid en de legitimiteit van de nieuwe (Syrische) orde in Libanon te garanderen.

Maanden lang hebben Frankrijk en Libanon onderhandeld over die 32 miljoen dollar, die volgens Aoun helemaal niet verduisterd waren, maar door zijn aanhangers op zijn bankrekening waren gestort ten behoeve van zijn strijd. Het uiteindelijke compromis luidt dat het geld bevroren wordt en een neutrale commissie zal beslissen voor welke doeleinden het geld wordt uitgegeven.

Maar dat Aoun niets van zijn mythe heeft verloren, bewezen de Libanese perscommentaren. De krant Al Safir, die dicht bij de Libanese regering staat, schreef drie dagen geleden dat de aanhangers van Aoun voornamelijk bestaan uit mensen die woedend zijn over de corruptie in het land. “Elke dag bewijzen de machthebbers opnieuw dat de beschuldigingen van de generaal tegen de politieke klasse terecht zijn. Dat verandert hem van een overwonnen militair leider in een volksheld en een symbool.” En het christelijke dagblad Al Anwar kopte het nieuws: “De man gaat, maar zijn geest blijft.”