Memoires (23)

Hoe langer ik erover nadenk, des te zekerder ik ervan ben: wie zijn geschiedenis kwijt is, is niets meer. Daarom heb ik mezelf in zoveel verschillende situaties beschreven; in deze herinneringen klamp ik me vast aan de geschiedenis zoals een drenkeling aan een stuk wrakhout. Zo simpel is het. Zodra ik loslaat, ga ik onder en verdrink.

Aangezien ik zelf niet weet wie ik ben, ben ik aangewezen op de belevenissen van anderen. Mijn eigen verleden is me stukje bij beetje afgenomen, lijkt het. Of Fukuyama werkelijk gelijk heeft en de geschiedenis haar einde heeft gevonden, weet ik niet, maar het voelt wel zo. Om mij heen worden nu de laatste symbolen opgeruimd; met de rode vlag met hamer en sikkel en de beelden van Lenin en Marx verdwijnt niet alleen het Sovjet-communisme, maar ook een stuk van mijn persoonlijke geschiedenis. Dat soort symbolen dragen naast algemene ook onherroepelijk persoonlijke associaties met zich mee, een ieder is in meer of mindere mate vergroeid met de geschiedenis, zelfs al heeft hij er niet daadwerkelijk deel aan.

Dat samenspel van het particuliere en het algemene, het persoonlijke en het collectieve, het kleine en het grote, wordt het best uitgedrukt in de vraag die altijd weer wordt gesteld: wat deed je op de dag dat Kennedy werd vermoord? Het is de smaak van warme chocolade die je in gedachten meeneemt naar Dallas, 1963, het is een toevallig liedje op de radio dat je plotseling opnieuw getuige laat zijn van de president die achterover slaat in zijn open auto. De moordaanslag op John F. Kennedy is niet langer alleen een historische gebeurtenis; het is ook een persoonlijk voorval geworden.

In mijn memoires had ik me vrijelijk laten meevoeren door mijn herinneringen en associaties; ik had de geschiedenis geannexeerd. Anders dan Proust had ik thuis geen hapje van een madeleine genomen, ik was een vreemde banketbakkerszaak binnengelopen en had alles opgeschrokt. De stroom van gebeurtenissen en personen die ik had opgeroepen mondden uit in een vreemd en verbrokkeld portret, waarin ik niettemin veel van mijzelf herkende.

Maar ik ben weer afgedwaald. Ik schreef over een tweede ontmoeting met de jongen die Beatrix imiteerde, in 1980. In januari van dat jaar had ik voor deze krant de enige Nederlandse decadente dichter geïnterviewd en hij was zo aardig geweest mij op zijn verjaardag te vragen. De dichter woonde met zijn jonge vriend in een benauwde bovenwoning in een Amsterdamse arbeidersbuurt, die ze van de plint tot het plafond volgestouwd hadden met hun verzameling erotica.

Het was een wonderlijke collectie: komische prenten met geile monniken en hitsige nonnen, reusachtige penissen van papier-maché, suggestieve spaarpotjes en kurketrekkers, schaamharen van verschillende beroemdheden, authentieke pornografische manuscripten van als keurig bekendstaande schrijvers; na ons gesprek had de dichter het me allemaal laten zien. Hij en zijn vriend hadden zich diep ingegraven in voorbije eeuwen; het leek wel of zij pas echt opgewonden raakten door vergane seks. Vanzelfsprekend schreef de dichter erotische sonnetten.

Ik had een bescheiden reputatie opgebouwd met mijn interviews met Nederlandse schrijvers in het Cultureel Supplement, maar niettemin voelde ik me niet thuis in literaire gezelschappen. Al die brallende mannen en schaterende vrouwen die een soort intellectuele roofbouw pleegden op iedereen die in hun buurt kwam, die zichzelf in de loop van een oppervlakkig gesprek onbekommerd uitvergrootten tot kosmische afmetingen (van die middag herinner ik me een piepjonge schrijfster van aanstellerig experimenteel proza die verklaarde dat ze niet langer romans schreef omdat ze de vorm "te beperkt' vond). Ik wantrouwde mijn afkeer van schrijvers, omdat ik vermoedde dat er misschien persoonlijke rancune in het spel was: zij waren onuitstaanbaar en oppervlakkig, maar creatief, ik las hun boeken en stelde hen pseudo-geïnteresseerde vragen. Daarom stond ik mezelf niet toe aan mijn gevoelens toe te geven, daarom verscheen ik op partijtjes als deze.

Mijn aandacht werd al snel getrokken door een jongen, die met een wijnglas in zijn hand in z'n eentje bij het raam stond. Hij deed me aan iemand denken, zonder dat ik kon zeggen aan wie. Hij zag er opvallend jong uit in dit gezelschap, met zijn blond krullend haar en zijn ronde, meisjesachtige gezicht. Het was duidelijk dat hij zich niet op zijn gemak voelde; hij nam snelle teugen uit zijn glas en schonk zichzelf steeds weer opnieuw in.

Ik ging naast hem staan en vroeg hem hoe hij de dichter kende. Hij bloosde bij mijn vraag, alsof hij dacht dat ik niet werkelijk in hem geïnteresseerd was en hem alleen maar uit zijn isolement wilde bevrijden. Niettemin begon hij een lang, haperend verhaal over een ontmoeting met de dichter op een poëzieavond en daarna nog eens toevallig op straat. Uit een quasi-terloopse opmerking maakte ik op dat hij wist wie ik was, dat hij mijn krantestukken kende. En jij, vroeg ik, schrijf jij ook? De jongen begon te stotteren en schudde zijn hoofd en zei, ik weet nog niet wat ik ga doen, ik . . . Op dat moment wist ik dat schrijven zijn eerste en enige ambitie moest zijn.

Ik praatte met anderen en verloor de jongen uit het oog. Iedereen werd dronken en de mannen begonnen nog harder te brallen en de vrouwen nog luider te snateren en iedereen wist opeens de oplossing voor het krakersprobleem en de leegstand en de teloorgang van Amsterdam en ik voelde me verloren, maar op de een of andere manier kon ik niet naar huis gaan. De decadente dichter trof ik op een gegeven moment stomdronken aan in een zijkamertje, waar hij zijn jonge epigoon instrueerde in het gebruik van een enorme gipsen kunstpenis. Ik vroeg hem hoe de jongen heette. Hij moest even denken. Zijn ogen stonden glaziger dan ooit. Toen noemde hij mijn naam.